ESBL-enzymen, die ervoor kunnen zorgen dat antibiotica bij een ziek mens niet helpen, komen rechtstreeks uit de intensieve veehouderij in ziekenhuizen terecht. De enzymen blijken zich te kunnen verplaatsen door de voedselketen. Dat zegt veterinair onderzoeker Dik Mevius van de Wageningen Universiteit in het studentenblad Resource dat vandaag is verschenen. 'We hebben nu hard bewijs.'
De onderzoeksgroep van Mevius heeft zes varianten van ESBL-genen geïsoleerd en die vergeleken met bacteriën die op ziekenhuispatiënten, supermarktkippen en in legbatterijen waren gevonden. In 35 procent van de gevallen was er 100 procent overeenkomst.
Bepaalde bacterieën zoals Klebsiella en E.coli produceren ESBL. Een gezond mens heeft daar geen last van, maar mensen met een verminderde weerstand kunnen er erg ziek van worden. In een ziekenhuis, waar veel verzwakte mensen bij elkaar liggen, verspreidt de infectie zich makkelijk. Een groot probleem is dat het enzym de meestgebruikte antibiotica weerstaat, zodat behandeling van geïnfecteerden moeizaam is.
Volgens Mevius zijn alle vleeskuikenbedrijven positief voor ESBL. Van de supermarktkippen heeft 94 procent het enzym bij zich. 'Maar dat is niet erg, want door goed verhitten gaan ze allemaal dood', aldus de wetenschapper. Wel erg is dat het ESBL-enzym zich dus onafhankelijk toch weet te verplaatsen.
Dat ESBL-producerende bacterieën steeds vaker voorkomen is volgens Mevius en veel anderen de schuld van overmatig antibioticagebruik in de intensieve veehouderij. Dat gebruik moet in 2015 zijn gehalveerd, maar volgens Mevius is dat nog niet voldoende. De deskundige pleit voor ingrijpende hygiënemaatregelen op de boerderij.
bron: Volkskrant
Inspirerend en bewuster leven! De Bron centrum voor bewustwording in Cuijk heeft als doel om rust en ontspanning te bieden door u kennis te laten maken met de wereld van spiritualiteit en al zijn mogelijkheden.
Posts tonen met het label bacterie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bacterie. Alle posts tonen
woensdag 17 augustus 2011
zondag 24 juli 2011
Wees alert –EHEC- E.coli praktijken
De aarde droeg het in haar schoot
Zonlicht bracht het rijp en groot
Zon en aarde die ons dit schenken
We zullen dankbaar aan u denken
Wees alert maar laat u niet bang maken - Groenten blijven het beste uit moeder natuur! Voorkom E.coli besmetting door gewoon rekening te houden met een basis aan hygiëne: Was je HANDEN voor je in contact komt met voedsel, was altijd alle GROENTEN voor je ze verwerkt, gebruik SCHONE MATERIALEN in de keuken, vermijdt contact met (rauw) vlees.
Forensisch bewijs duikt op dat de Europese E.coli superbacterie was ontwikkelt met biotechniek om menselijke slachtoffers te produceren
(NaturalNews) Zelfs terwijl het veggie schuldspel zich nu afspeelt in heel de EU, waar een super resistente E.coli stam patiënten ziek maakt en ziekenhuizen in Duitsland vult, praat vrijwel niemand over hoe E.coli op magische wijze resistent is kunnen worden tegen acht verschillende klassen van antibiotica geneesmiddelen en dan plotseling in de voedselketen terrecht is gekomen.
Deze bijzondere E.coli variant maakt deel uit van de O104-stam, en O104 stammen zijn (normaal) bijna nooit resistent tegen antibiotica. Om deze resistentie te verkrijgen moeten ze herhaaldelijk worden blootgesteld aan antibiotica om te zorgen voor “mutatie druk” die hen duwt in de richting van volledige geneesmiddelenimmuniteit.
Dus als je nieuwsgierig bent naar de oorsprong van een dergelijke stam kun je in wezen de opbouw van de E.coli omdraaien en vrij nauwkeurig achterhalen aan welke antibiotica het werd blootgesteld tijdens zijn ontwikkeling. Dit werd nu gedaan (zie hieronder), en als je kijkt naar de genetische ontcijfering van deze O104 stam die nu voedselconsumenten over de hele EU bedreigt, ontstaat een fascinerend beeld van hoe deze moet zijn ontstaan.
De genetische code onthult de geschiedenis
Toen Duitse wetenschappers van het Robert Koch Instituut de genetische blauwdruk van de O104 stam ontcijferden ontdekten ze dat deze resistent was tegen de volgende klassen en combinaties van antibiotica:
• penicillines
• tetracycline
• nalidixinezuur
• trimethoprim-sulfamethoxazol
• cefalosporines
• amoxicilline / clavulaanzuur
• piperacilline-sulbactam
• piperacilline-tazobactam
Daarnaast heeft deze O104 stam het vermogen om speciale enzymen te produceren die het zogenaamde “bacteriële superkrachten” geeft, of in vaktermen genaamd ESBLs. Het Health Protection Agency in het Verenigd Koninkrijk legt uit: “Extended-Spectrum Beta-Lactamase (ESBLs) zijn enzymen die geproduceerd kunnen worden door bacteriën en hen resistent maakt tegen cephalosporines zoals cefuroxim, cefotaxim en ceftazidim, die de meest gebruikte antibiotica zijn in vele ziekenhuizen.”
Daarbovenop heeft deze O104 stam twee genen, TEM-1 en CTX-M-15, “waarvan artsen huiveren sinds de jaren 1990”, meldt The Guardian. En waarom huiveren artsen hiervan? Omdat ze zo dodelijk is dat veel mensen die besmet worden met deze bacterie kritiek orgaanfalen ondervinden en simpelweg sterven.
Een dodelijke superbacterie ontwikkelen met biotechniek
Dus hoe ontstaat een bacteriële stam die resistent is tegen meer dan een dozijn antibiotica in acht verschillende geneesmiddelenklassen en twee dodelijke mutaties plus ESBL enzymaanleg bezit precies?
Er is eigenlijk maar één manier waarop dit gebeurt (en slechts op een manier), je moet deze stam van E.coli blootstellen aan alle acht klassen van antibiotica geneesmiddelen. Meestal wordt dit niet allemaal gedaan op hetzelfde moment natuurlijk: Je stelt het eerst bloot aan penicilline en ontdekt de overlevende kolonies die resistent zijn tegen penicilline. Vervolgens neem je de overlevende kolonies en stelt ze bloot aan tetracycline. De overlevende kolonies zijn nu resistent tegen zowel penicilline als tetracycline. Dan stel je ze bloot aan een sulfa-geneesmiddel en verzamelt de overlevende kolonies daarvan, en zo verder. Het is een proces van genetische selectie uitgevoerd in een laboratorium met een gewenst resultaat. Dit is in wezen hoe sommige biowapens worden ontworpen door het Amerikaanse leger in zijn laboratorium in Ft. Detrick Maryland.
Hoewel het eigenlijke proces ingewikkelder is dan dit, is de essentie dat de ontwikkelilng van een E.coli stam die resistent is aan acht klassen van antibiotica, herhaalde, langdurige blootstelling vereist aan die antibiotica. Het is vrijwel onmogelijk voor te stellen hoe dit uit zichzelf zou kunnen gebeuren in de vrije natuur. Als deze bacterie bijvoorbeeld ontstaan is in het voedsel (zoals we worden verteld), waar heeft het dan al deze antibioticaresistentie verworven gezien het feit dat antibiotica niet gebruikt worden in groenten?
Bij het overwegen van het genetische bewijs waarmee we nu geconfronteerd worden, is het moeilijk voor te stellen hoe dit “in het wild” is kunnen gebeuren. Hoewel resistentie tegen een enkel antibioticum gebruikelijk is, tart de ontwikkeling van een E.coli stam die resistent is tegen acht verschillende klassen van antibiotica in combinatie gewoon de wetten van genetische permutatie en combinatie in de vrije natuur. Simpel gezegd, deze superbacterie E.coli stam kon niet in de vrije natuur gemaakt zijn. En dan blijft er maar één verklaring voor waar het echt vandaan kwam: het lab. (Lees verder: Mike Adams, The Health Ranger voor NaturalNews – 6 juni 2011)
Zonlicht bracht het rijp en groot
Zon en aarde die ons dit schenken
We zullen dankbaar aan u denken
Wees alert maar laat u niet bang maken - Groenten blijven het beste uit moeder natuur! Voorkom E.coli besmetting door gewoon rekening te houden met een basis aan hygiëne: Was je HANDEN voor je in contact komt met voedsel, was altijd alle GROENTEN voor je ze verwerkt, gebruik SCHONE MATERIALEN in de keuken, vermijdt contact met (rauw) vlees.
Forensisch bewijs duikt op dat de Europese E.coli superbacterie was ontwikkelt met biotechniek om menselijke slachtoffers te produceren
(NaturalNews) Zelfs terwijl het veggie schuldspel zich nu afspeelt in heel de EU, waar een super resistente E.coli stam patiënten ziek maakt en ziekenhuizen in Duitsland vult, praat vrijwel niemand over hoe E.coli op magische wijze resistent is kunnen worden tegen acht verschillende klassen van antibiotica geneesmiddelen en dan plotseling in de voedselketen terrecht is gekomen.
Deze bijzondere E.coli variant maakt deel uit van de O104-stam, en O104 stammen zijn (normaal) bijna nooit resistent tegen antibiotica. Om deze resistentie te verkrijgen moeten ze herhaaldelijk worden blootgesteld aan antibiotica om te zorgen voor “mutatie druk” die hen duwt in de richting van volledige geneesmiddelenimmuniteit.
Dus als je nieuwsgierig bent naar de oorsprong van een dergelijke stam kun je in wezen de opbouw van de E.coli omdraaien en vrij nauwkeurig achterhalen aan welke antibiotica het werd blootgesteld tijdens zijn ontwikkeling. Dit werd nu gedaan (zie hieronder), en als je kijkt naar de genetische ontcijfering van deze O104 stam die nu voedselconsumenten over de hele EU bedreigt, ontstaat een fascinerend beeld van hoe deze moet zijn ontstaan.
De genetische code onthult de geschiedenis
Toen Duitse wetenschappers van het Robert Koch Instituut de genetische blauwdruk van de O104 stam ontcijferden ontdekten ze dat deze resistent was tegen de volgende klassen en combinaties van antibiotica:
• penicillines
• tetracycline
• nalidixinezuur
• trimethoprim-sulfamethoxazol
• cefalosporines
• amoxicilline / clavulaanzuur
• piperacilline-sulbactam
• piperacilline-tazobactam
Daarnaast heeft deze O104 stam het vermogen om speciale enzymen te produceren die het zogenaamde “bacteriële superkrachten” geeft, of in vaktermen genaamd ESBLs. Het Health Protection Agency in het Verenigd Koninkrijk legt uit: “Extended-Spectrum Beta-Lactamase (ESBLs) zijn enzymen die geproduceerd kunnen worden door bacteriën en hen resistent maakt tegen cephalosporines zoals cefuroxim, cefotaxim en ceftazidim, die de meest gebruikte antibiotica zijn in vele ziekenhuizen.”
Daarbovenop heeft deze O104 stam twee genen, TEM-1 en CTX-M-15, “waarvan artsen huiveren sinds de jaren 1990”, meldt The Guardian. En waarom huiveren artsen hiervan? Omdat ze zo dodelijk is dat veel mensen die besmet worden met deze bacterie kritiek orgaanfalen ondervinden en simpelweg sterven.
Een dodelijke superbacterie ontwikkelen met biotechniek
Dus hoe ontstaat een bacteriële stam die resistent is tegen meer dan een dozijn antibiotica in acht verschillende geneesmiddelenklassen en twee dodelijke mutaties plus ESBL enzymaanleg bezit precies?
Er is eigenlijk maar één manier waarop dit gebeurt (en slechts op een manier), je moet deze stam van E.coli blootstellen aan alle acht klassen van antibiotica geneesmiddelen. Meestal wordt dit niet allemaal gedaan op hetzelfde moment natuurlijk: Je stelt het eerst bloot aan penicilline en ontdekt de overlevende kolonies die resistent zijn tegen penicilline. Vervolgens neem je de overlevende kolonies en stelt ze bloot aan tetracycline. De overlevende kolonies zijn nu resistent tegen zowel penicilline als tetracycline. Dan stel je ze bloot aan een sulfa-geneesmiddel en verzamelt de overlevende kolonies daarvan, en zo verder. Het is een proces van genetische selectie uitgevoerd in een laboratorium met een gewenst resultaat. Dit is in wezen hoe sommige biowapens worden ontworpen door het Amerikaanse leger in zijn laboratorium in Ft. Detrick Maryland.
Hoewel het eigenlijke proces ingewikkelder is dan dit, is de essentie dat de ontwikkelilng van een E.coli stam die resistent is aan acht klassen van antibiotica, herhaalde, langdurige blootstelling vereist aan die antibiotica. Het is vrijwel onmogelijk voor te stellen hoe dit uit zichzelf zou kunnen gebeuren in de vrije natuur. Als deze bacterie bijvoorbeeld ontstaan is in het voedsel (zoals we worden verteld), waar heeft het dan al deze antibioticaresistentie verworven gezien het feit dat antibiotica niet gebruikt worden in groenten?
Bij het overwegen van het genetische bewijs waarmee we nu geconfronteerd worden, is het moeilijk voor te stellen hoe dit “in het wild” is kunnen gebeuren. Hoewel resistentie tegen een enkel antibioticum gebruikelijk is, tart de ontwikkeling van een E.coli stam die resistent is tegen acht verschillende klassen van antibiotica in combinatie gewoon de wetten van genetische permutatie en combinatie in de vrije natuur. Simpel gezegd, deze superbacterie E.coli stam kon niet in de vrije natuur gemaakt zijn. En dan blijft er maar één verklaring voor waar het echt vandaan kwam: het lab. (Lees verder: Mike Adams, The Health Ranger voor NaturalNews – 6 juni 2011)
maandag 18 juli 2011
De opmars van pathologische bacteriën
Recent werden we geconfronteerd met een zeer gevaarlijke vorm van de E.Colibacterie, die in Duitsland nogal wat slachtoffers heeft gemaakt. Dat ziekmakende krengetje zat op komkommers, tomaten, maar dat bleek later beslist niet zo te zijn. Het waren uit eindelijk de z.g.n. kiemgroenten, zoals taugé, bietenspruiten en fenegriek, die de oorzaak bleken te zijn. Wat kunnen we concluderen, na alle ophef en ellende rond die ernstige darmen/nierproblemen ten gevolge van de besmetting met die gevaarlijke variant van de E.Colibacterie?
Twee dingen: ten eerste, dat de land- en tuinbouw niet meer werkt op de ouderwetse manier. Moderne productiemethoden blijken kennelijk ruimte te bieden voor ontwikkeling van zulke gevaarlijke bacteriën. Ten tweede: bacteriën zijn donders slimme beestjes, die heel efficiënt blijken te kunnen overleven.
De E.Colibacterie hoort van nature bij de zoogdieren, dus ook bij de mens. In de darmen komen deze bacteriën normaal gesproken altijd voor. Maar nu komt het venijn. Door dat waanzinnige antibioticumgebruik van de laatste dertig, veertig jaar, hebben bacteriën een uiterst efficiënte overlevingsstrategie ontwikkeld. Een kuur antibioticum draagt er toe bij, dat de microflora van de darm volledig overstuur gaat. Sommige antibiotica doden namelijk letterlijk alle bacteriën, maar de meeste antibiotica zorgen er voor dat de bacteriën zich niet kunnen vermenigvuldigen. Dat is gevaarlijk, want er ontsnappen altijd wel enige bacteriën aan dat proces. Die ‘overlevers’ hebben de koppen bij elkaar gestoken en hebben ‘krijgsraad’ gehouden: hoe kunnen wij, als bacteriën, dat antibioticumbombardement het best overleven? In een oorlogssituatie is de beste manier om de vijand te ontlopen, je onzichtbaar, of onherkenbaar maken voor die vijand, de aanvaller. En daar is dat bacterievolk verduveld slim in geweest. Tal van bacteriën hebben zich onherkenbaar gemaakt. In medisch/biologische zin noem je dat een ‘mutatie’ De bacteriën veranderen zichzelf zodanig, dat ze niet meer herkend worden door de antibiotica en door het eigen afweersysteem. Ze werden dus, wat je medisch noemt, resistent. Dat wil zeggen, ongevoelig voor antibiotica en zelfs voor de afweersoldaten van het eigen lichaam.
Die bacteriën spelen het oer-biologische spel van ‘the survival of the fittest’, het overleven van de sterkste, uiterst slim en efficiënt. Bacteriën hebben dan weliswaar geen hersens, maar ze overleven slimmer dan alle hersens op aarde bij elkaar kunnen bedenken. De aankomende jaren, zo meen ik te mogen voorspellen, zullen we steeds meer te maken krijgen met onbehandelbare, ziekte verwekkende bacteriën. De medische wetenschap heeft in haar hoogmoed en het alles-willen-beheersen, mis gerekend, buiten de realiteit gerekend en gedacht. Bacteriën zijn veel efficiënter en dus slimmer, dan de hersenen van prof.dr. Weet-ik-Veel, medisch specialist voor infectieziekten.
Wat kunnen wij, als simpele zielen, nog doen om die veranderingen in de bacteriewereld zo goed mogelijk het hoofd te kunnen bieden? Heel simpel: eet en leef zo gezond mogelijk, of wel, zorg er voor, dat jouw biologisch systeem zo goed en natuurlijk mogelijk in conditie blijft. Maar ook: en ik realiseer me erg goed, hoe moeilijk dat is in een wereld waarin wij op dit moment leven, of wel, makkelijker gezegd dan gedaan….
Toch kunt u best wel iets doen. Let alleen al op de dagelijkse voeding. Eet basaal en laat alle eigentijdse zooi aan opwindende lekkernijen heel ver van u. Een oud gezegd luidt: de dood huist in de darm…Een gezonde darmflora, daar gaat het om. En hoe bereik je dat? Door simpel, eenvoudig te eten. Boterhammetje met appelstroop, aardappeltje of rijst, heel veel verse groenten, matig vlees of wat vis, veel gewone zwarte thee drinken, appeltje, peertje, kersen, een knäckebrödje om te knabbelen en verder hoeft er eigenlijk niet zoveel. Lijk ongezellig, maar uiteindelijk juichen je darmen de zegeningen ervan tot in de hemel.
Maar de gezelligheid dan?? Ach, dat zit tot van binnen, in je hart en niet in dat waanzinnige vreten.
Jaap Huibers, Amerongen
Twee dingen: ten eerste, dat de land- en tuinbouw niet meer werkt op de ouderwetse manier. Moderne productiemethoden blijken kennelijk ruimte te bieden voor ontwikkeling van zulke gevaarlijke bacteriën. Ten tweede: bacteriën zijn donders slimme beestjes, die heel efficiënt blijken te kunnen overleven.
De E.Colibacterie hoort van nature bij de zoogdieren, dus ook bij de mens. In de darmen komen deze bacteriën normaal gesproken altijd voor. Maar nu komt het venijn. Door dat waanzinnige antibioticumgebruik van de laatste dertig, veertig jaar, hebben bacteriën een uiterst efficiënte overlevingsstrategie ontwikkeld. Een kuur antibioticum draagt er toe bij, dat de microflora van de darm volledig overstuur gaat. Sommige antibiotica doden namelijk letterlijk alle bacteriën, maar de meeste antibiotica zorgen er voor dat de bacteriën zich niet kunnen vermenigvuldigen. Dat is gevaarlijk, want er ontsnappen altijd wel enige bacteriën aan dat proces. Die ‘overlevers’ hebben de koppen bij elkaar gestoken en hebben ‘krijgsraad’ gehouden: hoe kunnen wij, als bacteriën, dat antibioticumbombardement het best overleven? In een oorlogssituatie is de beste manier om de vijand te ontlopen, je onzichtbaar, of onherkenbaar maken voor die vijand, de aanvaller. En daar is dat bacterievolk verduveld slim in geweest. Tal van bacteriën hebben zich onherkenbaar gemaakt. In medisch/biologische zin noem je dat een ‘mutatie’ De bacteriën veranderen zichzelf zodanig, dat ze niet meer herkend worden door de antibiotica en door het eigen afweersysteem. Ze werden dus, wat je medisch noemt, resistent. Dat wil zeggen, ongevoelig voor antibiotica en zelfs voor de afweersoldaten van het eigen lichaam.
Die bacteriën spelen het oer-biologische spel van ‘the survival of the fittest’, het overleven van de sterkste, uiterst slim en efficiënt. Bacteriën hebben dan weliswaar geen hersens, maar ze overleven slimmer dan alle hersens op aarde bij elkaar kunnen bedenken. De aankomende jaren, zo meen ik te mogen voorspellen, zullen we steeds meer te maken krijgen met onbehandelbare, ziekte verwekkende bacteriën. De medische wetenschap heeft in haar hoogmoed en het alles-willen-beheersen, mis gerekend, buiten de realiteit gerekend en gedacht. Bacteriën zijn veel efficiënter en dus slimmer, dan de hersenen van prof.dr. Weet-ik-Veel, medisch specialist voor infectieziekten.
Wat kunnen wij, als simpele zielen, nog doen om die veranderingen in de bacteriewereld zo goed mogelijk het hoofd te kunnen bieden? Heel simpel: eet en leef zo gezond mogelijk, of wel, zorg er voor, dat jouw biologisch systeem zo goed en natuurlijk mogelijk in conditie blijft. Maar ook: en ik realiseer me erg goed, hoe moeilijk dat is in een wereld waarin wij op dit moment leven, of wel, makkelijker gezegd dan gedaan….
Toch kunt u best wel iets doen. Let alleen al op de dagelijkse voeding. Eet basaal en laat alle eigentijdse zooi aan opwindende lekkernijen heel ver van u. Een oud gezegd luidt: de dood huist in de darm…Een gezonde darmflora, daar gaat het om. En hoe bereik je dat? Door simpel, eenvoudig te eten. Boterhammetje met appelstroop, aardappeltje of rijst, heel veel verse groenten, matig vlees of wat vis, veel gewone zwarte thee drinken, appeltje, peertje, kersen, een knäckebrödje om te knabbelen en verder hoeft er eigenlijk niet zoveel. Lijk ongezellig, maar uiteindelijk juichen je darmen de zegeningen ervan tot in de hemel.
Maar de gezelligheid dan?? Ach, dat zit tot van binnen, in je hart en niet in dat waanzinnige vreten.
Jaap Huibers, Amerongen
donderdag 14 juli 2011
Vermijdt antibacteriële zeep en schoonmaakmiddelen
Je ziet het steeds vaker op verpakkingen staan ‘antibacterieel’. Tegenwoordig zijn middelen met antibacteriële eigenschappen niet meer alleen in zeep toegevoegd. Deze middelen zitten ook al standaard in meer dan 700 producten zoals sponzen, tandpasta, scheercrème, mascara en make-up en deodorant. Maar ook matrassen, sportkleding en schoenen zijn vaak al voorbehandeld met antibacteriële middelen. Je komt dus dagelijks zonder het te weten in aanraking met een grote hoeveelheid aan producten die een antibacteriële werking toegevoegd hebben gekregen. In ieder huishouden is bijna wel een zeeppompje bij de gootsteen te vinden met erop vermeld ‘doodt bacteriën’ of ‘heeft een antibacteriële werking.’ Want dan weten we zeker dat onze handen schoon worden, toch?
Het wordt echter steeds duidelijker dat deze antibacteriële middelen minder goed voor de gezondheid zijn dan gedacht. Steeds vaker worden gezondheidsklachten toegeschreven aan deze middelen. Het is dus verstandig deze giftige producten zoveel mogelijk te mijden. Viezer wordt je er niet van, want water met echte zeep maakt echt schoon.
Antibacteriële middelen beschermen niet tegen virussen
We vergeten voor het gemak dat virussen de grootste verspreider zijn van ziekten en dat producten met een antibacteriële werking hier geen enkele invloed op hebben. Daarbij zijn de middelen die claimen een bacteriedodend effect te hebben en bedoeld zijn voor huishoudelijk gebruik sterk verdund. Ze hebben geen tot weinig effect op bacteriën. De antibacteriële schoonmaakmiddelen die in ziekenhuizen worden gebruikt hebben een veel sterkere concentratie en zijn wel effectief. Maar ook enkel bedoeld voor mensen met een ziekte of directe infectie.
Antibacteriële werking zeep niet aangetoond
Het is niet aangetoond dat het gebruik van antibacteriële producten bedoeld voor huishoudelijk gebruik beter schoonhouden dan zeep en water. In Amerikaanse studies is aangetoond dat gewone zeep en water net zo goed schoonmaken als de huishoudproducten met antibacteriële werking. Sterker nog, door de toevoegingen wordt niet alleen vuil verwijderd maar worden bacteriën op je handen die juist goed voor ons zijn ook aangetast. Terwijl de dosis te laag is om echte bacteriën aan te pakken. Het met water wegspoelen van bacteriën met water is aangetoond even effectief en reinigend. Dus water en zeep en de rust nemen om goed te wassen is voldoende. En stukken gezonder dan dat je in aanraking komt met chemische extra’s. Want deze extra’s komen via de huid in het lichaam wat bij meer kans geeft op resistentie tegen antibiotica. Het toegenomen gebruik van antibacteriële producten zou een verklaring zijn voor de toename van resistente bacteriën van de laatste jaren.
Giftige stof Triclosan in zeep
De meest voorkomende stof die gebruikt wordt om bacteriën te doden is Triclosan. Triclosan is een krachtig bacteriedodend middel en is ook schimmelwerend. We kunnen hiermee stellen dat er letterlijk een pesticide wordt gebruikt om bacteriedodend te zijn en er dus pesticide in deze soort van handzeep zit. Geen fijn idee. Deze pesticiden zijn sterk verontreinigend voor ons milieu en worden tegenwoordig al gevonden in het oppervlaktewater. In waterzuiveringsinstallaties wordt Triclosan ongeveer voor 95% afgebroken, de rest blijft in het water achter. Er zijn resten gevonden in vissoorten maar ook in het menselijk lichaam en bijvoorbeeld in moedermelk bij borstvoeding. Triclosan kan de schildklier en andere hormonen verstoren, invloed hebben op de vruchtbaarheid, bijdragen aan groeistoornissen en de kans op kanker verhogen. Binnen de Europese Unie mag een product maximaal 0,3% Triclosan bevatten.
Kies zeep zonder antibacteriële werking
Let eens op alle producten waarop vermeld staat dat het een bacteriedodend effect heeft. Je zult verbaasd staan hoeveel producten je al in huis hebt met het middel Triclosan. Niet alleen zeep bevat dit ingrediënt. Ook aan tandpasta’s en vele verzorgingsproducten wordt deze stof regelmatig toegevoegd. Hierdoor kom je vaak veel meer in aanraking met deze stof dan gezond voor je is. Dus voor handzeep kun je echt beter gewone zeep gebruiken. En ook andere middelen zijn eenvoudig te vervangen door goed op de verpakking te kijken. Ook de grote merken als Palmolive, Clearasil, Colgate en Biotherme gebruiken het middel. Laat je niet verleiden door reclames, maar maak je eigen keuze en let goed op de verpakking.
Goed handen wassen voldoet Wat het wassen van handen betreft: was je handen 15 à 30 seconden met water en gewone handzeep. Je zult hiermee 90 % van de bacteriën verwijderen. Droog je handen wel met een schone handdoek, want juist daar nestelen bacteriën zich.
Het wordt echter steeds duidelijker dat deze antibacteriële middelen minder goed voor de gezondheid zijn dan gedacht. Steeds vaker worden gezondheidsklachten toegeschreven aan deze middelen. Het is dus verstandig deze giftige producten zoveel mogelijk te mijden. Viezer wordt je er niet van, want water met echte zeep maakt echt schoon.
Antibacteriële middelen beschermen niet tegen virussen
We vergeten voor het gemak dat virussen de grootste verspreider zijn van ziekten en dat producten met een antibacteriële werking hier geen enkele invloed op hebben. Daarbij zijn de middelen die claimen een bacteriedodend effect te hebben en bedoeld zijn voor huishoudelijk gebruik sterk verdund. Ze hebben geen tot weinig effect op bacteriën. De antibacteriële schoonmaakmiddelen die in ziekenhuizen worden gebruikt hebben een veel sterkere concentratie en zijn wel effectief. Maar ook enkel bedoeld voor mensen met een ziekte of directe infectie.
Antibacteriële werking zeep niet aangetoond
Het is niet aangetoond dat het gebruik van antibacteriële producten bedoeld voor huishoudelijk gebruik beter schoonhouden dan zeep en water. In Amerikaanse studies is aangetoond dat gewone zeep en water net zo goed schoonmaken als de huishoudproducten met antibacteriële werking. Sterker nog, door de toevoegingen wordt niet alleen vuil verwijderd maar worden bacteriën op je handen die juist goed voor ons zijn ook aangetast. Terwijl de dosis te laag is om echte bacteriën aan te pakken. Het met water wegspoelen van bacteriën met water is aangetoond even effectief en reinigend. Dus water en zeep en de rust nemen om goed te wassen is voldoende. En stukken gezonder dan dat je in aanraking komt met chemische extra’s. Want deze extra’s komen via de huid in het lichaam wat bij meer kans geeft op resistentie tegen antibiotica. Het toegenomen gebruik van antibacteriële producten zou een verklaring zijn voor de toename van resistente bacteriën van de laatste jaren.
Giftige stof Triclosan in zeep
De meest voorkomende stof die gebruikt wordt om bacteriën te doden is Triclosan. Triclosan is een krachtig bacteriedodend middel en is ook schimmelwerend. We kunnen hiermee stellen dat er letterlijk een pesticide wordt gebruikt om bacteriedodend te zijn en er dus pesticide in deze soort van handzeep zit. Geen fijn idee. Deze pesticiden zijn sterk verontreinigend voor ons milieu en worden tegenwoordig al gevonden in het oppervlaktewater. In waterzuiveringsinstallaties wordt Triclosan ongeveer voor 95% afgebroken, de rest blijft in het water achter. Er zijn resten gevonden in vissoorten maar ook in het menselijk lichaam en bijvoorbeeld in moedermelk bij borstvoeding. Triclosan kan de schildklier en andere hormonen verstoren, invloed hebben op de vruchtbaarheid, bijdragen aan groeistoornissen en de kans op kanker verhogen. Binnen de Europese Unie mag een product maximaal 0,3% Triclosan bevatten.
Kies zeep zonder antibacteriële werking
Let eens op alle producten waarop vermeld staat dat het een bacteriedodend effect heeft. Je zult verbaasd staan hoeveel producten je al in huis hebt met het middel Triclosan. Niet alleen zeep bevat dit ingrediënt. Ook aan tandpasta’s en vele verzorgingsproducten wordt deze stof regelmatig toegevoegd. Hierdoor kom je vaak veel meer in aanraking met deze stof dan gezond voor je is. Dus voor handzeep kun je echt beter gewone zeep gebruiken. En ook andere middelen zijn eenvoudig te vervangen door goed op de verpakking te kijken. Ook de grote merken als Palmolive, Clearasil, Colgate en Biotherme gebruiken het middel. Laat je niet verleiden door reclames, maar maak je eigen keuze en let goed op de verpakking.
Goed handen wassen voldoet Wat het wassen van handen betreft: was je handen 15 à 30 seconden met water en gewone handzeep. Je zult hiermee 90 % van de bacteriën verwijderen. Droog je handen wel met een schone handdoek, want juist daar nestelen bacteriën zich.
zondag 12 juni 2011
Dodental door EHEC loopt verder op
Dodental door EHEC loopt verder op
De EHEC-bacterie heeft inmiddels aan zeker 35 mensen het leven gekost. De Duitse minister van Volksgezondheid Daniel Bahr zei zondag te vrezen dat er nog meer slachtoffers zullen vallen.
,,Meer sterfgevallen kunnen we niet uitsluiten, pijnlijk als het is om dat te zeggen'', aldus Bahr. ,,Het gestage dalen van het aantal nieuwe infecties biedt ruimte voor optimisme. Maar het sluit niet uit dat meer gevallen van EHEC zich kunnen voordoen.''
Ook het Robert Koch Instituut, de evenknie van het Nederlandse RIVM, stelde zondag dat de uitbraak op z'n retour is. Alle slachtoffers vielen in Duitsland, op één na: in Zweden stierf iemand na een bezoek aan Duitsland. Meer dan 3000 mensen werden ziek in zeker 16 landen.
De EHEC-bacterie heeft inmiddels aan zeker 35 mensen het leven gekost. De Duitse minister van Volksgezondheid Daniel Bahr zei zondag te vrezen dat er nog meer slachtoffers zullen vallen.
,,Meer sterfgevallen kunnen we niet uitsluiten, pijnlijk als het is om dat te zeggen'', aldus Bahr. ,,Het gestage dalen van het aantal nieuwe infecties biedt ruimte voor optimisme. Maar het sluit niet uit dat meer gevallen van EHEC zich kunnen voordoen.''
Ook het Robert Koch Instituut, de evenknie van het Nederlandse RIVM, stelde zondag dat de uitbraak op z'n retour is. Alle slachtoffers vielen in Duitsland, op één na: in Zweden stierf iemand na een bezoek aan Duitsland. Meer dan 3000 mensen werden ziek in zeker 16 landen.
zaterdag 11 juni 2011
EHEC-bacterie
EHEC-bacterie
10 juni 22:56
Opnieuw EHEC bij Nederlandse teler› Binnenland 17:05
EHEC-bacterie aangetroffen op taugé› Buitenland 10:56
Taugé toch bron EHEC – Rusland wil importverbod opheffen› Buitenland 09:25
Duitsland trekt EHEC-waarschuwing voor komkommers in› Buitenland
9 juni 07:47
TNO claimt doorbraak in onderzoek EHEC – ‘voor nu geen oplossing’› BinnenlandWetenschap
8 juni 20:24
Bleker akkoord met Rusland over export groente› Binnenland 16:51
EHEC-bacterie gevonden op komkommer in Duitsland› Wetenschap 08:51
Duitsland: aantal nieuwe EHEC-besmettingen neemt af› Buitenland
7 juni 19:02
EU: meer dan 150 miljoen nodig voor gedupeerde groentetelers› Buitenland 14:11
Europa wil steunfonds van 150 miljoen voor gedupeerde groentetelers› Buitenland 13:55
#1941: Niet zo piepen, eet dat bord met groente leeg› beste van het web 10:17
EU-ministers houden spoedberaad over EHEC-bacterie› Economie
6 juni 16:45
#1933: EHEC-bacterie drijft regeringen uiteen. Media panikeren› beste van het web 15:32
Ook Noord-Duitse taugé lijkt niet de bron van EHEC-uitbraak› Buitenland 10:23
Crisisberaad EU over EHEC – toch onderzoek naar Hollandse taugé› Buitenland
5 juni 16:52
Taugé mogelijke bron EHEC-bacterie – Ziekenhuizen Noord-Duitsland vol› Buitenland 12:59
Spoor naar bron EHEC-bacterie lijkt dood te lopen› Buitenland
4 juni 08:45
Duits restaurant mogelijk bron EHEC› Buitenland
3 juni 12:38
Herkomst EHEC-bacterie nog altijd onduidelijk› Wetenschap 08:20
‘Rusland niet van plan importverbod op EU-groenten in te trekken’› Buitenland
2 juni 18:51
EU eist einde aan Russisch importverbod Europese groenten› Binnenland 15:17
Bleker wil Rusland veilige groente garanderen, importverbod ‘onnodig’› Binnenland 11:19
‘Russisch importverbod groente is rampzalig’› Binnenland 10:05
Zapatero: compensatie voor telers, EHEC-bacterie niet uit Spanje› Buitenland 07:36
Rusland stopt import EU-groenten› Buitenland
1 juni 20:53
Bron EHEC-bacterie niet in Duitse groenten› Binnenland 16:08
RIVM: vijf EHEC-besmettingen in Nederland›
woensdag 8 juni 2011
Mest
Het is niet bepaald een staatsgeheim, maar melkveehouders lopen er liever niet mee te koop: een koe produceert vandaag de dag in haar werkzame leven ruim drie keer zoveel stront als melk. En zo staan er achter elk pak melk in de supermarkt, eigenlijk drie pakken van dat andere spul.
Met kaas is het nog gekker. Om één kilo kaas te kunnen maken, is tien kilo melk nodig en dat levert dan als toetje weer ruim dertig kilo koeienstront op. Mest was ooit een bijproduct van melk, en de koe zelf zorgde voor een vrijwel stankvrije verwerking via de koeienvlaai. Een paradijs voor vliegen en een wereld aan andere insecten die er nog even over mochten schaatsen voordat er, net als bij gekookte melk, een vel overheen kwam. De koeienvlaai in de wei is zeldzaam aan het worden. Want dat gewandel kost de koe maar energie en de boer melk.
Met het opschroeven van de melkproductie is ook de mestproductie fors gestegen. Een normale koe heeft ongeveer drieduizend kilo melk nodig om haar kalveren te voeden. In de moderne melkveehouderij perst een beetje boer er met gemak tienduizend kilo uit. Er zijn er zelfs die voor twaalfduizend kilo - per jaar - hun hand niet omdraaien.
De 36 ton mest die jaarlijks aan zo'n koe hangt, begint een behoorlijk probleem te worden. De Nederlandse boeren hebben ruim 25 jaar hun achterwerk en dat van hun koeien afgeveegd met de Brusselse mestwetgeving. Nu moeten andere wegen dan het eigen weiland worden gevonden om de mestoverschotten weg te werken.
Eén zo'n uitweg, winstgevend bovendien, is vergisting. Als mest op de juiste temperatuur wordt gebracht, gaat het vanzelf gisten. Toevoeging van maïs, kippenmest, gras en voerresten zorgt voor nog meer vergisting in een nog hoger tempo. Door de vergisting ontstaat gas dat via een motor wordt omgezet in elektriciteit. Deze stroom wordt weer verkocht aan het elektriciteitsbedrijf, dat er het gangbare tarief van 4,1 eurocent per kilowattuur voor overheeft.
Voor zo'n bedrag kan de koe niet schijten, en dus toverde veehoudend Nederland het volgende konijn uit de hoge hoed. Mest is volgens hen een duurzaam product want het komt elke dag weer, en dus is de energie die er via vergisting uit komt eveneens duurzaam.
Opwekkers van duurzame energie via windmolens of zonneboilers krijgen boven op de prijs van het elektriciteitsbedrijf nog eens 9,7 eurocent subsidie. Mestvergisters ook. Een subsidiegarantie van tien jaar maakt het financiële bedje echt goed gespreid.
Het gaat hierbij om serieuze bedragen, want een middelgrote mestvergister kost ongeveer 700.000 euro. Maar die investering is binnen zeven jaar terugverdiend, en levert in die periode ook nog eens 50.000 euro per jaar extra op.
Daarna wordt het helemaal leuk. De post rente en aflossing is dan gereduceerd tot nul en het extra inkomen over de laatste drie jaar van de contractperiode stijgt dan naar 175.000 euro per jaar. De overheid gaat ver in haar streven om de productie van duurzame energie op gang te krijgen. Zelfs de fiscus helpt mee om het feestje nog leuker te maken: van de investering is 44 procent aftrekbaar. Naar believen uit te smeren over een periode van zes jaar. Dat drukt de netto-investering naar 392.000 euro, die over de eerste tien jaar een gemiddeld nettorendement oplevert van bijna 21 procent.
Het probleem met de mestvergisters is echter dat de energie die daar uit komt lang zo duurzaam niet is als op het eerste gezicht wel lijkt. Dat begint al bij de koe. Haar dieet bestaat uit gras, maïs, krachtvoer en restproducten uit de aardappelindustrie of bierbrouwerijen. Het gras komt doorgaans van het eigen bedrijf, maar de rest moet van buiten worden aangevoerd. Bij de productie en het vervoer daarvan worden forse hoeveelheden fossiele energie gebruikt.
Kippenmest staat helemaal stijf van de fossiele energie. De grondstof voor het voer in de bio-industrie wordt vaker wel dan niet van de andere kant van de wereld gehaald. Daarvoor worden complete regenwouden gerooid. De maïs voor de vergister is geen afval, maar wordt apart geteeld. In een vergister pruttelt per jaar zo'n 1000 ton maïs. Alleen daarvoor al is 25 hectare grond nodig en ruim 22.000 liter dieselolie.
Het enige duurzame dat vergisters opleveren, lijkt het risicoloze en gegarandeerde rendement voor de melkveehouder te zijn.
Met kaas is het nog gekker. Om één kilo kaas te kunnen maken, is tien kilo melk nodig en dat levert dan als toetje weer ruim dertig kilo koeienstront op. Mest was ooit een bijproduct van melk, en de koe zelf zorgde voor een vrijwel stankvrije verwerking via de koeienvlaai. Een paradijs voor vliegen en een wereld aan andere insecten die er nog even over mochten schaatsen voordat er, net als bij gekookte melk, een vel overheen kwam. De koeienvlaai in de wei is zeldzaam aan het worden. Want dat gewandel kost de koe maar energie en de boer melk.
Met het opschroeven van de melkproductie is ook de mestproductie fors gestegen. Een normale koe heeft ongeveer drieduizend kilo melk nodig om haar kalveren te voeden. In de moderne melkveehouderij perst een beetje boer er met gemak tienduizend kilo uit. Er zijn er zelfs die voor twaalfduizend kilo - per jaar - hun hand niet omdraaien.
De 36 ton mest die jaarlijks aan zo'n koe hangt, begint een behoorlijk probleem te worden. De Nederlandse boeren hebben ruim 25 jaar hun achterwerk en dat van hun koeien afgeveegd met de Brusselse mestwetgeving. Nu moeten andere wegen dan het eigen weiland worden gevonden om de mestoverschotten weg te werken.
Eén zo'n uitweg, winstgevend bovendien, is vergisting. Als mest op de juiste temperatuur wordt gebracht, gaat het vanzelf gisten. Toevoeging van maïs, kippenmest, gras en voerresten zorgt voor nog meer vergisting in een nog hoger tempo. Door de vergisting ontstaat gas dat via een motor wordt omgezet in elektriciteit. Deze stroom wordt weer verkocht aan het elektriciteitsbedrijf, dat er het gangbare tarief van 4,1 eurocent per kilowattuur voor overheeft.
Voor zo'n bedrag kan de koe niet schijten, en dus toverde veehoudend Nederland het volgende konijn uit de hoge hoed. Mest is volgens hen een duurzaam product want het komt elke dag weer, en dus is de energie die er via vergisting uit komt eveneens duurzaam.
Opwekkers van duurzame energie via windmolens of zonneboilers krijgen boven op de prijs van het elektriciteitsbedrijf nog eens 9,7 eurocent subsidie. Mestvergisters ook. Een subsidiegarantie van tien jaar maakt het financiële bedje echt goed gespreid.
Het gaat hierbij om serieuze bedragen, want een middelgrote mestvergister kost ongeveer 700.000 euro. Maar die investering is binnen zeven jaar terugverdiend, en levert in die periode ook nog eens 50.000 euro per jaar extra op.
Daarna wordt het helemaal leuk. De post rente en aflossing is dan gereduceerd tot nul en het extra inkomen over de laatste drie jaar van de contractperiode stijgt dan naar 175.000 euro per jaar. De overheid gaat ver in haar streven om de productie van duurzame energie op gang te krijgen. Zelfs de fiscus helpt mee om het feestje nog leuker te maken: van de investering is 44 procent aftrekbaar. Naar believen uit te smeren over een periode van zes jaar. Dat drukt de netto-investering naar 392.000 euro, die over de eerste tien jaar een gemiddeld nettorendement oplevert van bijna 21 procent.
Het probleem met de mestvergisters is echter dat de energie die daar uit komt lang zo duurzaam niet is als op het eerste gezicht wel lijkt. Dat begint al bij de koe. Haar dieet bestaat uit gras, maïs, krachtvoer en restproducten uit de aardappelindustrie of bierbrouwerijen. Het gras komt doorgaans van het eigen bedrijf, maar de rest moet van buiten worden aangevoerd. Bij de productie en het vervoer daarvan worden forse hoeveelheden fossiele energie gebruikt.
Kippenmest staat helemaal stijf van de fossiele energie. De grondstof voor het voer in de bio-industrie wordt vaker wel dan niet van de andere kant van de wereld gehaald. Daarvoor worden complete regenwouden gerooid. De maïs voor de vergister is geen afval, maar wordt apart geteeld. In een vergister pruttelt per jaar zo'n 1000 ton maïs. Alleen daarvoor al is 25 hectare grond nodig en ruim 22.000 liter dieselolie.
Het enige duurzame dat vergisters opleveren, lijkt het risicoloze en gegarandeerde rendement voor de melkveehouder te zijn.
Virus
De bewoner van het platteland heeft het vandaag de dag niet makkelijk. En al helemaal niet als hij of zij eigenaar is van een toompje kippen dat bij wijze van voorbeeld bestaat uit drie stuks: een haan en twee kippen. Toegegeven, twee kippen is wat weinig voor één haan, maar het waren er oorspronkelijk dan ook vier. De helft is vorige zomer een natuurlijke dood gestorven. Vrijwel zeker opgevreten door een vos, want alles wat na enig zoeken onder een afdakje werd gevonden, was een hoopje veren.
Sindsdien lopen de kippen uit het voorbeeld in een forse ren: binnen, want afgeschermd van de vossen, en toch buiten, want er zit geen dak op. Van de ministers van landbouw mag dat op gezette tijden niet meer. Om de Nederlandse professionele pluimveehouderij te redden, moet alles wat veren heeft, worden opgehokt als de wind in het oosten zit. Verder willen de beschermheren en beschermvrouwen van de bio-industrie straks alle hobbykippen verplicht laten vaccineren.
Of het helpt in de strijd tegen het virus is zeer de vraag. Ophokken lijkt een zinnige maatregel, maar is het niet. Het overgrote deel van het in Nederland gehouden pluimvee zit namelijk al binnen. Nou ja, pluimvee. Het heeft veren en het kakelt, maar daar houdt de vergelijking met echte kippen en kuikens dan ook wel op.
De bio-industrie heeft het pluimvee dat haar stallen bevolkt niet alleen met het wegbranden van snavels en kortwieken van vleugels uiterlijk misvormd. Met tot het randje uitgevoerde fokprogramma's is bovendien alle genetische variëteit, en daarmee elke weerstand, uit de soort weg geselecteerd.
Om te voorkomen dat de verzwakte kippen en kuikens voortijdig aan doorgaans onschuldige ontstekingen sterven, worden ze op een ruim dieet van antibiotica gezet. Het H5N1-virus lacht daar om. Antibiotica helpen tegen bacteriën, niet tegen virussen. Op het ook voor de mens gevaarlijke virus werken die miljoenen weerloos gemaakte kippen en kuikens dus als een magneet.
De pluimveehouderij, die met het ophokken van hobbydieren moet worden beschermd, houdt intussen zelf open huis. Een beetje stal herbergt ruim 15.000 leghennen of ruim 40.000 vleeskuikens, die naast voer, water en antibiotica ook verse lucht nodig hebben.
Daarom hangt aan het ene eind van de stal een forse ventilator die op gezette tijden lucht en alles wat daar aan virus in hangt, naar binnen zuigt. Eenmaal binnen, gebruikt dat virus de kakelende verenmassa als een soort potgrond om zichzelf te vermeerderen. Met dank aan de betreffende pluimveehouder laat het vetgemeste virus zich vervolgens door de ventilator aan het andere eind van de stal weer naar buiten blazen. Op naar de volgende slachtoffers bij de buurman, waar de wenkende ventilator al wacht.
Alsof dat systeem van virusverspreiding nog niet genoeg is, gaat het transport van kip- en kipproducten binnen de bio-industrie zolang het virus nog niet echt is geconstateerd, gewoon door. Voor een virus een bron van verspreiding om de tentakels bij af te likken.
Onder die omstandigheden is het niet de vraag of, maar wanneer het virus hier toeslaat. En dus is het ophokken van hobbykippen vooral een symbolische maatregel. Immers, bij een kip die een beetje stevig in de veren zit, zorgt het virus hooguit voor een beetje verkoudheid.
Er zullen daarbij best een paar kippen sneuvelen. Dat heet natuurlijke selectie en daar wordt de soort alleen maar sterker van. Maar dit natuurlijke mechanisme gaat de sector te traag.
De huidige ophokmaatregel is bovendien nogal lachwekkend. Kippen mogen wel uit het hok als ze maar op een of andere manier onder een afdakje, desnoods van plastic, zitten. Alsof het virus zich uitsluitend verticaal verspreidt.
Toch worden in het voorbeelddorpje de kippen braaf, zij het tandenknarsend, opgehokt. Hun eigenaren kijken, terwijl ze hannesen met grote stukken plastic, naar twee weilanden verderop, waar een paar grote stallen met vleeskuikens staan. Als daar het virus opduikt, worden de kippen in het dorp, ook al zouden die gezond zijn, eveneens geruimd.
De gedachte alleen al leidt tot een stevig potje achteruit bidden. Maar daar blijft het bij. Er wordt net als de vorige keer onderduik voor de kippen overwogen. Maar net als de vorige keer blijft het vrijwel zeker bij de overweging. Als de tijd daar is en de kippenpolitie van het ministerie van landbouw langskomt, worden kerngezonde kippen braaf ter slachting afgegeven.
De burger buigt nog steeds voor de boer. Niet alleen op het platteland. Ook in Den Haag en Brussel wordt de hoed voor het nog immer invloedrijke Groene Front hoog geheven.
Het belang van in dit geval de pluimveesector gaat immers boven alles. Dat belang is overigens beperkt. Volgens de jongste cijfers van de productschappen Vee, Vlees en Eieren bestaat de sector uit 1247 bedrijven, die samen 30 miljoen leghennen gebruiken. Verder waren er vorig jaar 740 bedrijven waar in zes weken tijd 27,4 miljoen kuikens van een paar gram naar ruim twee kilo werden gevoerd. Over het hele jaar gerekend zijn dat er dus, met inachtneming van een week pauze per cyclus, ruim 203 miljoen.
Voor nog geen tweeduizend ondernemers worden per jaar ruim 230 miljoen dieren mishandeld, gaat als het virus is gearriveerd de halve samenleving op haar kop en lopen we het risico dat de gevreesde grieppandemie hier begint. Het is hoog tijd voor de enige maatregel die echt zoden aan de dijk zet: stop met de bio-industriële pluimveehouderij.
Als het even kan voordat het virus is gearriveerd.
Sindsdien lopen de kippen uit het voorbeeld in een forse ren: binnen, want afgeschermd van de vossen, en toch buiten, want er zit geen dak op. Van de ministers van landbouw mag dat op gezette tijden niet meer. Om de Nederlandse professionele pluimveehouderij te redden, moet alles wat veren heeft, worden opgehokt als de wind in het oosten zit. Verder willen de beschermheren en beschermvrouwen van de bio-industrie straks alle hobbykippen verplicht laten vaccineren.
Of het helpt in de strijd tegen het virus is zeer de vraag. Ophokken lijkt een zinnige maatregel, maar is het niet. Het overgrote deel van het in Nederland gehouden pluimvee zit namelijk al binnen. Nou ja, pluimvee. Het heeft veren en het kakelt, maar daar houdt de vergelijking met echte kippen en kuikens dan ook wel op.
De bio-industrie heeft het pluimvee dat haar stallen bevolkt niet alleen met het wegbranden van snavels en kortwieken van vleugels uiterlijk misvormd. Met tot het randje uitgevoerde fokprogramma's is bovendien alle genetische variëteit, en daarmee elke weerstand, uit de soort weg geselecteerd.
Om te voorkomen dat de verzwakte kippen en kuikens voortijdig aan doorgaans onschuldige ontstekingen sterven, worden ze op een ruim dieet van antibiotica gezet. Het H5N1-virus lacht daar om. Antibiotica helpen tegen bacteriën, niet tegen virussen. Op het ook voor de mens gevaarlijke virus werken die miljoenen weerloos gemaakte kippen en kuikens dus als een magneet.
De pluimveehouderij, die met het ophokken van hobbydieren moet worden beschermd, houdt intussen zelf open huis. Een beetje stal herbergt ruim 15.000 leghennen of ruim 40.000 vleeskuikens, die naast voer, water en antibiotica ook verse lucht nodig hebben.
Daarom hangt aan het ene eind van de stal een forse ventilator die op gezette tijden lucht en alles wat daar aan virus in hangt, naar binnen zuigt. Eenmaal binnen, gebruikt dat virus de kakelende verenmassa als een soort potgrond om zichzelf te vermeerderen. Met dank aan de betreffende pluimveehouder laat het vetgemeste virus zich vervolgens door de ventilator aan het andere eind van de stal weer naar buiten blazen. Op naar de volgende slachtoffers bij de buurman, waar de wenkende ventilator al wacht.
Alsof dat systeem van virusverspreiding nog niet genoeg is, gaat het transport van kip- en kipproducten binnen de bio-industrie zolang het virus nog niet echt is geconstateerd, gewoon door. Voor een virus een bron van verspreiding om de tentakels bij af te likken.
Onder die omstandigheden is het niet de vraag of, maar wanneer het virus hier toeslaat. En dus is het ophokken van hobbykippen vooral een symbolische maatregel. Immers, bij een kip die een beetje stevig in de veren zit, zorgt het virus hooguit voor een beetje verkoudheid.
Er zullen daarbij best een paar kippen sneuvelen. Dat heet natuurlijke selectie en daar wordt de soort alleen maar sterker van. Maar dit natuurlijke mechanisme gaat de sector te traag.
De huidige ophokmaatregel is bovendien nogal lachwekkend. Kippen mogen wel uit het hok als ze maar op een of andere manier onder een afdakje, desnoods van plastic, zitten. Alsof het virus zich uitsluitend verticaal verspreidt.
Toch worden in het voorbeelddorpje de kippen braaf, zij het tandenknarsend, opgehokt. Hun eigenaren kijken, terwijl ze hannesen met grote stukken plastic, naar twee weilanden verderop, waar een paar grote stallen met vleeskuikens staan. Als daar het virus opduikt, worden de kippen in het dorp, ook al zouden die gezond zijn, eveneens geruimd.
De gedachte alleen al leidt tot een stevig potje achteruit bidden. Maar daar blijft het bij. Er wordt net als de vorige keer onderduik voor de kippen overwogen. Maar net als de vorige keer blijft het vrijwel zeker bij de overweging. Als de tijd daar is en de kippenpolitie van het ministerie van landbouw langskomt, worden kerngezonde kippen braaf ter slachting afgegeven.
De burger buigt nog steeds voor de boer. Niet alleen op het platteland. Ook in Den Haag en Brussel wordt de hoed voor het nog immer invloedrijke Groene Front hoog geheven.
Het belang van in dit geval de pluimveesector gaat immers boven alles. Dat belang is overigens beperkt. Volgens de jongste cijfers van de productschappen Vee, Vlees en Eieren bestaat de sector uit 1247 bedrijven, die samen 30 miljoen leghennen gebruiken. Verder waren er vorig jaar 740 bedrijven waar in zes weken tijd 27,4 miljoen kuikens van een paar gram naar ruim twee kilo werden gevoerd. Over het hele jaar gerekend zijn dat er dus, met inachtneming van een week pauze per cyclus, ruim 203 miljoen.
Voor nog geen tweeduizend ondernemers worden per jaar ruim 230 miljoen dieren mishandeld, gaat als het virus is gearriveerd de halve samenleving op haar kop en lopen we het risico dat de gevreesde grieppandemie hier begint. Het is hoog tijd voor de enige maatregel die echt zoden aan de dijk zet: stop met de bio-industriële pluimveehouderij.
Als het even kan voordat het virus is gearriveerd.
maandag 6 juni 2011
Vlees
Veel mensen mogen graag een stukje vlees eten. Dat is gezond. Een goed stukje vlees zit barstens vol met eiwitten, vitamines en mineralen. Bovendien is het, voor wie het lust, smakelijk. Maar verdient het in Nederland geproduceerde vlees de naam vlees eigenlijk wel?
Veruit het meeste rundvlees wordt geleverd door de melkveehouderij. Koeien die niet meer voldoen aan de door de boer gestelde melkproductienorm gaan naar het slachthuis en vinden hun graf in de schappen van de supermarkt.
Vroeger hielden de Nederlandse boeren daar rekening mee. Ze fokten zogenoemde 'dubbel-doel' koeien. Beesten die tijdens hun productieve leven een bepaalde hoeveelheid melk konden leveren, en daarnaast ook nog een dragelijk stukje vlees opleverden.
In de huidige melkveehouderij staat specialisatie centraal. Voor melk geldt in Europa een voor de boeren gegarandeerde minimum melkprijs, en dus wordt er tegenwoordig vooral gefokt op melkproductie. Die keuze voor het fokken op melkproductie heeft, met hulp van de Amerikanen die Europa op dat punt ver voor waren, geleid tot spectaculaire resultaten.
Tien jaar geleden was de gemiddelde melkproductie per koe in Nederland ongeveer 6500 kilo per jaar. Die gemiddelde productie is nu al ruim 8000 kilo per jaar. Op de supergespecialiseerde bedrijven is een productie per koe van 12.000 kilo geen uitzondering. Dat is ongeveer twaalf keer zoveel als een koe normaal gesproken nodig heeft om een kalf groot te brengen.
Ook het productieve leven van een gespecialiseerde koe is eindig en haar rest niets anders dan de gang via het slachthuis naar de schappen van de supermarkt. Maar haar restanten die daar in de vorm van biefstuk te koop liggen voor rond de vijftien euro per kilo hebben kraak noch smaak. Het ging immers niet om het vlees, maar om de melk. En dat is aan het vlees te proeven. Of juist niet.
Met varkensvlees is het al precies hetzelfde. De specialisatie in de varkenshouderij is gericht op een zo hoog mogelijke productie van kilo’s vlees per vierkante meter. Vlees wordt immers per kilo verkocht, vandaar de naam kilo-knaller . Niet per smaak of kwaliteit. Het varken is een prachtig dier dat echter regelmatig wordt getroffen door vreselijke ziekten. De grote uitbraak van de varkenspest heeft nauwelijks nadelige gevolgen voor de consumptie van varkensvlees gehad. De consument kauwt rustig door op de karbonade en waarom zou hij niet? Varkenspest is dodelijk voor de dieren, maar levert voor de mens geen enkel risico op.
Dat is nog maar de vraag. Op de diverse journaals waren afschuwelijke beelden te zien van de manier waarop wij door de pest aangetaste varkens plegen te 'ruimen'. Zelden is schokkender in beeld gebracht hoe respectloos de moderne veeteelt met het verlengstuk van het leven - de dood - omgaat. En de consument blijkt al even respectloos, want hij kauwt rustig door.
Bij 'ruimen' worden de dieren in een speciale destructiewagen gejaagd, om daar vervolgens aan en op de lopende band te worden geëlektrocuteerd. De combinatie van 110.000 Volt en 3.000 Ampère zorgt voor onmiddellijke hart- en hersendood. Nog nadampend van de stroomstoot ('Ze merken er echt niks van hoor,' zegt iemand boven het gekrijs van de dieren uit. ‘Het is gebeurd voor ze het merken.’) rollen ze de wagen uit. Een kraan pakt ze met twee of drie tegelijk op. Ze bungelen nog even als zakken grof vuil, half uit de grijper hangend, in de lucht en vallen dan met doffe ploffen in een gereedstaande vrachtwagen. De dieronterende vernietiging van varkens ging nog weken door.
Een varken kan er niets aan doen dat hij de pest krijgt. Soms komt het letterlijk aanwaaien, of brengt een vogel of verdwaalde muis het virus uit de natuur mee. De verdere verspreiding in de sector is vooral mensenwerk. Vlak voor de eerste uitbraak definitief werd vastgesteld, gonsde het in Zuid-Nederland al van de geruchten over varkenspest. In allerijl werden grote aantallen varkens uit het gebied weggebracht naar andere delen van het land. En daarmee ook het virus. Voor de Nederlandse varkenshouderij was wat er gebeurde een regelrechte ramp. Na een zeer magere periode waren de prijzen net weer op een behoorlijk niveau gekomen. Maar de sector riep de ramp voor een niet onbelangrijk deel over zichzelf uit.
Het varken is een viespeuk, maar wel een nuttige. Knorremans is een omnivoor die alles vreet wat los en vast zit. Als het maar verpakt is in blubber. In die zin was het vroeger op de boerderijen een perfecte kleinschalige verwerker van etensresten. Maar de moderne veeteelt heeft er de afgelopen jaren grootschalige afvalverwerkers van gemaakt, waarvoor slechts één criterium geldt: rendement. Alle niet meer voor de mens eetbare voedselresten gingen naar de producenten van veevoer. Vermengd met krachtvoer waar een bedenkelijke cocktail van andere afval in werd gedaan. Deze slobber, in vakkringen 'swill' genoemd, vormde de basis van ham en karbonade, maar dit mengsel is tegenwoordig verboden. Waarbij overigens moet worden aangetekend dat het in de landbouw niet gebruikelijk is dat regelgeving stelselmatig en door onafhankelijke instanties wordt gecontroleerd. Wat precies de sancties bij overtredingen zijn, blijft al even onduidelijk.
Formeel toegelaten zijn nog wel vismeel, bloedproducten en di- en tricalciumfosfaat uit botten. Om de zoveel tijd worden er producten in het veevoer gevonden die er overduidelijk niet in horen, zoals dioxine, afgewerkte olierestanten of afgekeurde medicijnen.
Intussen wordt er door de belangenbehartigers van de sector achter de schermen druk geduwd en getrokken om verboden weer ongedaan te maken. Na het uitbreken van de gekke koeienziekte werd het gebruik van beendermeel verboden. Er wordt gewerkt aan regelgeving om dat verbod te versoepelen. Nieuw op het menu van de Nederlandse veestapel zijn de bloembollen. Onder het motto: wij aten ze in de oorlog, dus waarom zouden we ze nu dan weggooien?, proberen bollenboeren een handeltje te maken met omliggende veehouders. Toch is er alle reden die bollen, voor de bollenboer afval, niet als veevoer te gebruiken omdat gebleken is dat die bollen stijf staan van de restanten van de bestrijdingsmiddelen die in de bollenteelt worden gebruikt. Een andere innovatie in de vleeshouderij is het toedienen van medicijnen via het voer. Dat gebeurt vooral bij varkens en kippen die onder meer enorme hoeveelheden antibiotica door hun voer gemengd krijgen. Uit controles van de Algemene Inspectie Dienst (AID) blijkt dat voorgeschreven wachttijd tussen laatste toediening van het medicijn en de slacht lang niet altijd wordt nageleefd, en dat met voorgeschreven doses wordt gesjoemeld.
De varkenshouderij is verworden tot een procesindustrie waar op jaarbasis voor ruim 2,5 miljard euro in omgaat. Brabant en Limburg worden in de sector omschreven als een deel van het land 'met een hoge varkensdichtheid'. Verhullend woordgebruik waarmee monoculturen die plagen als de varkenspest per definitie uitlokken, worden toegedekt.
Uitbraken van grootschalige ziekten en plagen komen ook op het platteland niet uit de lucht vallen. Ze zijn een direct gevolg van onze pogingen om dier en plant in een industrieel keurslijf te dwingen. De sector accepteert dat, net als het ministerie van landbouw, en gaat er vanuit dat het om de zoveel jaar gebeurt. Om het financiële risico voor de varkenshouders die het treft te beperken, hebben overheid en bedrijfsleven een steunpot van 50 miljoen euro bij elkaar gespaard. Om het verspreidingsrisico bij een uitbraak zo snel mogelijk in te dammen, ontwikkelde het ministerie een weerzinwekkende vernietigingsmachine. Met slechts een criterium: rendement. De varkenshappende kraan is vervangen door een jakobsladder om zo de lijken direct in de vrachtwagens te krijgen. Weer een arbeidsgang minder en het oogt minder gruwelijk.
Varkenshouders houden van hun dieren. Zolang de slachterij ze, minimaal kostprijsdekkend, accepteert. Ook de consument houdt van varkensvlees. Zolang de prijs per kilo maar niet al te hoog is. Beide partijen houden elkaar op die manier langs een financiële drijfveer gevangen in een vicieuze cirkel. En zo wordt het vlees, vooral door de varkens, toch nog duur betaald.
De consument loopt fysiek geen enkel risico door de varkenspest. Maar hij is moreel allang besmet geraakt. Want ondanks het heel speciale smaakje dat de sector via de journaals aan de karbonade gaf, kauwde de consument onverstoorbaar door.
Veruit het meeste rundvlees wordt geleverd door de melkveehouderij. Koeien die niet meer voldoen aan de door de boer gestelde melkproductienorm gaan naar het slachthuis en vinden hun graf in de schappen van de supermarkt.
Vroeger hielden de Nederlandse boeren daar rekening mee. Ze fokten zogenoemde 'dubbel-doel' koeien. Beesten die tijdens hun productieve leven een bepaalde hoeveelheid melk konden leveren, en daarnaast ook nog een dragelijk stukje vlees opleverden.
In de huidige melkveehouderij staat specialisatie centraal. Voor melk geldt in Europa een voor de boeren gegarandeerde minimum melkprijs, en dus wordt er tegenwoordig vooral gefokt op melkproductie. Die keuze voor het fokken op melkproductie heeft, met hulp van de Amerikanen die Europa op dat punt ver voor waren, geleid tot spectaculaire resultaten.
Tien jaar geleden was de gemiddelde melkproductie per koe in Nederland ongeveer 6500 kilo per jaar. Die gemiddelde productie is nu al ruim 8000 kilo per jaar. Op de supergespecialiseerde bedrijven is een productie per koe van 12.000 kilo geen uitzondering. Dat is ongeveer twaalf keer zoveel als een koe normaal gesproken nodig heeft om een kalf groot te brengen.
Ook het productieve leven van een gespecialiseerde koe is eindig en haar rest niets anders dan de gang via het slachthuis naar de schappen van de supermarkt. Maar haar restanten die daar in de vorm van biefstuk te koop liggen voor rond de vijftien euro per kilo hebben kraak noch smaak. Het ging immers niet om het vlees, maar om de melk. En dat is aan het vlees te proeven. Of juist niet.
Met varkensvlees is het al precies hetzelfde. De specialisatie in de varkenshouderij is gericht op een zo hoog mogelijke productie van kilo’s vlees per vierkante meter. Vlees wordt immers per kilo verkocht, vandaar de naam kilo-knaller . Niet per smaak of kwaliteit. Het varken is een prachtig dier dat echter regelmatig wordt getroffen door vreselijke ziekten. De grote uitbraak van de varkenspest heeft nauwelijks nadelige gevolgen voor de consumptie van varkensvlees gehad. De consument kauwt rustig door op de karbonade en waarom zou hij niet? Varkenspest is dodelijk voor de dieren, maar levert voor de mens geen enkel risico op.
Dat is nog maar de vraag. Op de diverse journaals waren afschuwelijke beelden te zien van de manier waarop wij door de pest aangetaste varkens plegen te 'ruimen'. Zelden is schokkender in beeld gebracht hoe respectloos de moderne veeteelt met het verlengstuk van het leven - de dood - omgaat. En de consument blijkt al even respectloos, want hij kauwt rustig door.
Bij 'ruimen' worden de dieren in een speciale destructiewagen gejaagd, om daar vervolgens aan en op de lopende band te worden geëlektrocuteerd. De combinatie van 110.000 Volt en 3.000 Ampère zorgt voor onmiddellijke hart- en hersendood. Nog nadampend van de stroomstoot ('Ze merken er echt niks van hoor,' zegt iemand boven het gekrijs van de dieren uit. ‘Het is gebeurd voor ze het merken.’) rollen ze de wagen uit. Een kraan pakt ze met twee of drie tegelijk op. Ze bungelen nog even als zakken grof vuil, half uit de grijper hangend, in de lucht en vallen dan met doffe ploffen in een gereedstaande vrachtwagen. De dieronterende vernietiging van varkens ging nog weken door.
Een varken kan er niets aan doen dat hij de pest krijgt. Soms komt het letterlijk aanwaaien, of brengt een vogel of verdwaalde muis het virus uit de natuur mee. De verdere verspreiding in de sector is vooral mensenwerk. Vlak voor de eerste uitbraak definitief werd vastgesteld, gonsde het in Zuid-Nederland al van de geruchten over varkenspest. In allerijl werden grote aantallen varkens uit het gebied weggebracht naar andere delen van het land. En daarmee ook het virus. Voor de Nederlandse varkenshouderij was wat er gebeurde een regelrechte ramp. Na een zeer magere periode waren de prijzen net weer op een behoorlijk niveau gekomen. Maar de sector riep de ramp voor een niet onbelangrijk deel over zichzelf uit.
Het varken is een viespeuk, maar wel een nuttige. Knorremans is een omnivoor die alles vreet wat los en vast zit. Als het maar verpakt is in blubber. In die zin was het vroeger op de boerderijen een perfecte kleinschalige verwerker van etensresten. Maar de moderne veeteelt heeft er de afgelopen jaren grootschalige afvalverwerkers van gemaakt, waarvoor slechts één criterium geldt: rendement. Alle niet meer voor de mens eetbare voedselresten gingen naar de producenten van veevoer. Vermengd met krachtvoer waar een bedenkelijke cocktail van andere afval in werd gedaan. Deze slobber, in vakkringen 'swill' genoemd, vormde de basis van ham en karbonade, maar dit mengsel is tegenwoordig verboden. Waarbij overigens moet worden aangetekend dat het in de landbouw niet gebruikelijk is dat regelgeving stelselmatig en door onafhankelijke instanties wordt gecontroleerd. Wat precies de sancties bij overtredingen zijn, blijft al even onduidelijk.
Formeel toegelaten zijn nog wel vismeel, bloedproducten en di- en tricalciumfosfaat uit botten. Om de zoveel tijd worden er producten in het veevoer gevonden die er overduidelijk niet in horen, zoals dioxine, afgewerkte olierestanten of afgekeurde medicijnen.
Intussen wordt er door de belangenbehartigers van de sector achter de schermen druk geduwd en getrokken om verboden weer ongedaan te maken. Na het uitbreken van de gekke koeienziekte werd het gebruik van beendermeel verboden. Er wordt gewerkt aan regelgeving om dat verbod te versoepelen. Nieuw op het menu van de Nederlandse veestapel zijn de bloembollen. Onder het motto: wij aten ze in de oorlog, dus waarom zouden we ze nu dan weggooien?, proberen bollenboeren een handeltje te maken met omliggende veehouders. Toch is er alle reden die bollen, voor de bollenboer afval, niet als veevoer te gebruiken omdat gebleken is dat die bollen stijf staan van de restanten van de bestrijdingsmiddelen die in de bollenteelt worden gebruikt. Een andere innovatie in de vleeshouderij is het toedienen van medicijnen via het voer. Dat gebeurt vooral bij varkens en kippen die onder meer enorme hoeveelheden antibiotica door hun voer gemengd krijgen. Uit controles van de Algemene Inspectie Dienst (AID) blijkt dat voorgeschreven wachttijd tussen laatste toediening van het medicijn en de slacht lang niet altijd wordt nageleefd, en dat met voorgeschreven doses wordt gesjoemeld.
De varkenshouderij is verworden tot een procesindustrie waar op jaarbasis voor ruim 2,5 miljard euro in omgaat. Brabant en Limburg worden in de sector omschreven als een deel van het land 'met een hoge varkensdichtheid'. Verhullend woordgebruik waarmee monoculturen die plagen als de varkenspest per definitie uitlokken, worden toegedekt.
Uitbraken van grootschalige ziekten en plagen komen ook op het platteland niet uit de lucht vallen. Ze zijn een direct gevolg van onze pogingen om dier en plant in een industrieel keurslijf te dwingen. De sector accepteert dat, net als het ministerie van landbouw, en gaat er vanuit dat het om de zoveel jaar gebeurt. Om het financiële risico voor de varkenshouders die het treft te beperken, hebben overheid en bedrijfsleven een steunpot van 50 miljoen euro bij elkaar gespaard. Om het verspreidingsrisico bij een uitbraak zo snel mogelijk in te dammen, ontwikkelde het ministerie een weerzinwekkende vernietigingsmachine. Met slechts een criterium: rendement. De varkenshappende kraan is vervangen door een jakobsladder om zo de lijken direct in de vrachtwagens te krijgen. Weer een arbeidsgang minder en het oogt minder gruwelijk.
Varkenshouders houden van hun dieren. Zolang de slachterij ze, minimaal kostprijsdekkend, accepteert. Ook de consument houdt van varkensvlees. Zolang de prijs per kilo maar niet al te hoog is. Beide partijen houden elkaar op die manier langs een financiële drijfveer gevangen in een vicieuze cirkel. En zo wordt het vlees, vooral door de varkens, toch nog duur betaald.
De consument loopt fysiek geen enkel risico door de varkenspest. Maar hij is moreel allang besmet geraakt. Want ondanks het heel speciale smaakje dat de sector via de journaals aan de karbonade gaf, kauwde de consument onverstoorbaar door.
maandag 30 mei 2011
Antibioticagebruik afbouwen
'Antibioticagebruik afbouwen’
De wereld praat over ESBL en antibioticaresistentie. Davy Persoons promoveerde erop. Hij daagt pluimveehouders uit: „Stap uit de routine en sta stil bij de gevolgen van behandelingen.”
Foto: Peter Roek, tekst: Marleen Teuling Naam: Davy Persoons
Bedrijf: Universiteit Gent
Functie: onderzoeker
Hoeveel komt ESBL voor bij mens en dier?
„Selectieve opsporing heeft aangetoond dat 63 procent van de Belgische vleeskuikens drager is van een ESBL-producerende bacterie. Nu is één bacterie natuurlijk niets. Maar 37 procent van alle E. coli’s van vleeskuikens is resistent tegen ceftiofur, en dat is wel fors. Ceftiofurresistentie is indicatief voor de productie van ESBL’s. In Nederland draagt ruim 80 procent van de kippen een ESBL-producerende bacterie bij zich en is gebleken dat 19 procent van de ESBL-producerende genen bij kippen ook bij de mens voorkomt. Dit duidt op een mogelijke overdracht tussen mens en dier. Geen eenrichtingsverkeer: het kan van mens naar kip en van kip naar mens. Misschien is er een gemeenschappelijke pool. Dit moet verder worden uitgezocht.”Zit het grootste probleem bij pluimvee?
„Vergeleken met de andere sectoren is dat inderdaad zo. Wel 37 procent van de E. coli van vleeskuikens is resistent, tegen 5 à 6 procent bij varkens en 1 à 2 bij rundvee. Terwijl ceftiofur in die sectoren nog wel gebruikt wordt. Zonder echt bewijs te hebben, vermoed ik dat de grote aanwezigheid van ESBL in de pluimveesector te maken heeft met de toedieningsweg. Bij eendagskuikens werd ceftiofur in de vorm van een spray over de dieren verneveld, of toegediend in het drinkwater. Ceftiofurmoleculen hebben een slechte orale opname, waardoor het mijns inziens blijft steken in het maag-darmtraject, waar het vooral lokaal blijft inwerken op de bacteriën daar. Dit heeft een veel grotere invloed dan bij varkens en rundvee, die het antibioticum via een intramusculaire injectie krijgen. Hier komt slechts een restje eventueel in de darm waar het in mindere mate in contact treedt met de flora daar. Bovendien is het vrij gebruikelijk dat een ziekte of fenomeen eerst bij pluimvee wordt gezien, een gevolg van de snelle productiecyclus. Door de zesweekse levenscyclus zijn de bacteriën die de kuikendarm bevolken vaak minder divers dan bij andere dieren. Het is ongetwijfeld te wijten aan een samenloop van omstandigheden, die verre van allemaal doorgrond zijn.”In hoeverre is overmatig antibiotica gebruik bij pluimvee gelinkt aan ESBL?
„Uit ons onderzoek kwamen amoxicilline en ook trimethoprim-sulfonamide naar voren als antibiotica die ceftiofurresistentie in de hand werken. Antibiotica zijn nuttig en nodig, maar het kan met minder toe. Met preventieve antibioticabehandelingen bereik je alleen maar dat de resistentie bij normale flora toeneemt. Resis tentie tegengaan heeft veel tijd nodig. Preventief inzetten van antibiotica lijkt misschien te werken voor een bepaalde toom kuikens, maar een paar tomen verderop zie je al dat het niet meer werkt. Het is daarom een verre van duurzame methode die beter kan worden vermeden. Het geeft ook een verkeerd gevoel van veiligheid.”ESBL komt ook voor op bedrijven waar niet of nauwelijks antibiotica verstrekt worden. Waar komt dat dan vandaan?
„Ik vermoed dat dit probleem al bij de broederij wordt veroorzaakt. De darm van een kuiken wordt in de eerste 24 levensuren gekoloniseerd met bacteriën uit zijn omgeving. Werd in een broederij door historisch gebruik van ceftiofur resistentie opgebouwd, dan neem je dat mee. De aanwezige culturen hebben die resistentie dan al, het zit er al in als het in de volgende schakel terechtkomt. Zoals ik al zei zal het wellicht lang duren voor we de ceftiofurresistentie zien dalen.”Wat zijn mogelijke oplossingen?
„We moeten de selectiedruk naar het resistentiegen laten afnemen door het antibioticagebruik te verminderen en door het resistentiepatroon te bepalen. Preventief antibioticagebruik moet worden afgebouwd en we moeten zoeken naar duurzame oplossingen zoals vaccinatie, hygiëne en bioveiligheid.Sommige oplossingen bestaan al jaren, maar worden te weinig gebruikt. Een antibiogram zou standaard aangelegd moeten worden wanneer ziekte op een bedrijf optreedt. Dat gebeurt nog te weinig, want gevoeligheidsbepaling kost tijd. Maar het is de moeite waard om de behandeling bij te sturen wanneer dit nodig is. Zeker als het gaat om massa medicatie is een antibiogram de moeite waard, en het kost weinig. Er bestaan snellere methodes, maar die zijn veel duurder."
Hoe valt ESBL-resistentie te voorkomen?
„Behandeling met antibiotica die deze resistentie in de hand werken, zoals trimethoprim-sulfonamide en amoxicilline, zo veel mogelijk vermijden is al een goede stap. Tegen coccidiose kan ook gevaccineerd worden. Dit vaccin zou verder ontwikkeld moeten worden, zodat het nog beter aansluit. Vaccinontwikkeling is de toekomst. Het probleem is ook dat antibiotica-inzet veel goedkoper is dan vaccineren. De farmaceutische industrie zou moeten overwegen vaccins goedkoper te maken en antibiotica duurder. Er zijn zo veel aanwijzingen dat we van het huidige antibioticagebruik af moeten. We moeten antibiotica vrijwaren zodat we ze nog lang op een verantwoorde manier kunnen gebruiken, voordat iemand er van bovenaf een totale stop op zet.”En hoe kom je van de hardnekkige ESBL af?
„Het algemeen antibioticagebruik beperken is belangrijk. Verder onderzoek is nodig om pluimveehouders en andere dierhouders met duurzame alternatieven te begeleiden. Bepaalde probiotica zouden ESBL-dragende bacteriën kunnen verdringen. Ook wordt nagedacht over bacteriofagen, minuscule virusjes die bacteriën infecteren. Zij bestrijden puur die ene slechte eigenschap en zijn niet gevaarlijk. Er bestaan alternatieven, maar deze moeten nog verder worden bekeken. Pluimveehouders wil ik uitdagen: stap uit de routine en sta stil bij de gevolgen van standaard-behandelingen. Bewust omgaan met antibio tica en de samenwerking zoeken met dierenartsen en bedrijven zijn zaken die nodig zijn om oordeelkundig te behandelen en op termijn zelfs geld te besparen.’’Groeibevorderaars uitleg
Groeibevorderaars (bêta-agonisten, thyreostatica, anabole steroïden)
Groeibevorderaars zijn stoffen die (illegaal) worden toegediend aan dieren, bestemd voor de vleesproductie, om een snelle groei en efficiënte voeropname te bewerkstelligen. In de EC is sinds 1986 echter het gebruik van groeibevorderaars bij de vleesproductie verboden. In de VS zijn een 5-tal groeibevorderaars toegestaan. Groeibevorderaars kunnen worden onderverdeeld in anabole steroïden en bèta-agonisten. Anabole steroïden zorgen er voor dat de energie, die wordt gebruikt voor de groei van het dier, wordt benut voor een grotere aanmaak van eiwitten ten koste van de aanmaak van vetten. Bèta-agonisten zorgen ervoor dat vetten in het lichaam van het dier worden afgebroken en benut worden voor de aanmaak van eiwitten. Bèta-agonisten zijn zogenaamde ‘repartition drugs’ (herverdelers).
Anabole steroïden kunnen worden ingedeeld in stoffen met oestrogene, androgene en progestagene werking. Van alle drie de groepen komen stoffen van nature voor of worden synthetisch bereid. Een bekende stof met oestrogene werking is oestradiol-17ß. Het vrouwelijke hormoon dat bij mens en dier verantwoordelijk is voor de vrouwelijke geslachtskenmerken. Van de groep androgene stoffen is testosteron bekend. Het mannelijke hormoon dat bij mens en dier verantwoordelijk is voor de mannelijke geslachtskenmerken.
Tenslotte is progesteron een van nature voorkomend progestageen hormoon. Progesteron is onder andere verantwoordelijk voor het instandhouden van de zwangerschap. Naast de genoemde van nature voorkomende anabole steroïden zijn er synthetisch bereide steroïden: ethynyloestradiol (een component die ook in de anti-conceptie pil wordt gebruikt), diethylstilbestrol (DES, een kankerverwekkende stof), trenbolon (een stof met androgene werking die in de VS is toegestaan als groeibevorderaar), medroxyprogesteron acetaat (MPA, een stof met progestagene werking die bekend is van het recente schandaal van besmet varkensvoer). Bekende bèta-agonisten zijn clenbuterol, salbutamol, bromobuterol. Enkele bèta-agonisten kunnen ook worden gebruikt als geneesmiddel door astmapatiënten. De aanwezigheid van deze stoffen als residuen in producten van dierlijke oorsprong is met name gevaarlijk voor hartpatiënten, omdat genoemde stoffen hartritmestoornissen kunnen veroorzaken.
Groeibevorderaars zijn stoffen die (illegaal) worden toegediend aan dieren, bestemd voor de vleesproductie, om een snelle groei en efficiënte voeropname te bewerkstelligen. In de EC is sinds 1986 echter het gebruik van groeibevorderaars bij de vleesproductie verboden. In de VS zijn een 5-tal groeibevorderaars toegestaan. Groeibevorderaars kunnen worden onderverdeeld in anabole steroïden en bèta-agonisten. Anabole steroïden zorgen er voor dat de energie, die wordt gebruikt voor de groei van het dier, wordt benut voor een grotere aanmaak van eiwitten ten koste van de aanmaak van vetten. Bèta-agonisten zorgen ervoor dat vetten in het lichaam van het dier worden afgebroken en benut worden voor de aanmaak van eiwitten. Bèta-agonisten zijn zogenaamde ‘repartition drugs’ (herverdelers).
Anabole steroïden kunnen worden ingedeeld in stoffen met oestrogene, androgene en progestagene werking. Van alle drie de groepen komen stoffen van nature voor of worden synthetisch bereid. Een bekende stof met oestrogene werking is oestradiol-17ß. Het vrouwelijke hormoon dat bij mens en dier verantwoordelijk is voor de vrouwelijke geslachtskenmerken. Van de groep androgene stoffen is testosteron bekend. Het mannelijke hormoon dat bij mens en dier verantwoordelijk is voor de mannelijke geslachtskenmerken.
Tenslotte is progesteron een van nature voorkomend progestageen hormoon. Progesteron is onder andere verantwoordelijk voor het instandhouden van de zwangerschap. Naast de genoemde van nature voorkomende anabole steroïden zijn er synthetisch bereide steroïden: ethynyloestradiol (een component die ook in de anti-conceptie pil wordt gebruikt), diethylstilbestrol (DES, een kankerverwekkende stof), trenbolon (een stof met androgene werking die in de VS is toegestaan als groeibevorderaar), medroxyprogesteron acetaat (MPA, een stof met progestagene werking die bekend is van het recente schandaal van besmet varkensvoer). Bekende bèta-agonisten zijn clenbuterol, salbutamol, bromobuterol. Enkele bèta-agonisten kunnen ook worden gebruikt als geneesmiddel door astmapatiënten. De aanwezigheid van deze stoffen als residuen in producten van dierlijke oorsprong is met name gevaarlijk voor hartpatiënten, omdat genoemde stoffen hartritmestoornissen kunnen veroorzaken.
Illegale groeibevorderaars van de hormoonmaffia
Illegale groeibevorderaars van de hormoonmaffia: elf trends
Het opvoeren van de spier- en vleesmassa van vee gebeurt steeds slimmer. De hormoonmaffia leert snel. Dat blijkt uit een overzichtsartikel van Belgische en Franse onderzoekers, waarin ze elf trends voor het voetlicht halen.
Opgespoorde ampullen, flesjes en injectienaalden, eigen onderzoek met nieuwe methoden, een speurtocht op het internet en gesprekken met sleutelfiguren in de opsporing. Daaruit haalden de auteurs het materiaal voor een update over de verboden veterinaire farmacologie. Die is succesvoller dan de consument weet. De schaarse berichten in de media komen vooral uit de slachthuizen, waar hormoonjagers soms de sporen van illegale groeitechnologie ontdekken. Maar nieuwe, niet op te sporen stoffen en geavanceerde kennis van het metabolisme maken dat maar een fractie van het middelengebruik aan het licht komt.
De illegale veterinaire groeitechnologie is ontwikkeld door criminele netwerken die zich uitspannen over Europa. Het zijn heuse organisaties, weten criminologen inmiddels, compleet met een structuur, doelstellingen en een langetermijnvisie. Die netwerken maken gebruikt van intimidatie, bedreigingen, geweld en corruptie en benutten ogenschijnlijk legitieme bedrijven en andere organisaties als dekmantel. Bovendien heeft de maffia toegang tot kennis en laboratoria.
1. Thyreostatica
Thyreostatica remmen de werking van de schildklierhormonen T3 en T4 en stimuleren zo de aanzet van vlees - vooral van vet. Middelen als de thiouracillen en tapazole zijn goedkoop en goed verkrijgbaar op de zwarte markt. Een veelvoorkomende kuur is het gebruik van vijf gram 6-methyl-2-thouracil per dag, dertig dagen lang. Een nieuw middel is imercaptobenzimidazole. Geregeld vinden onderzoekers thyreostatica in de schildklier van geslachte dieren.
Een probleem apart zijn de supplementenversies van deze middelen. Veel plantenmaterialen, vooral die van koolsoorten, bevatten de zwavelhoudende oxazolidine-2-thiones. Raapzaad bevat bijvoorbeeld veel 5-vinyl-oxazolidine-2-thione of 5-VTO. Zeker nu raapzaadmeel - beter bekend als canola - als goedkope eiwitbron steeds vaker opduikt in veevoer, stijgt de kans dat melk meer 5-VTO gaat bevatten dan gezond is.
2. Stanozolol
Stanozolol wordt populairder bij de hormoonmaffia. Dat komt vooral omdat het zo snel omzet waardoor de pakkans gering is. Na vijf dagen is het spul weg. Hormoonjagers kijken daarom nu naar de metaboliet 16beta-hydroxystanozolol, die nog 17 dagen na een stanozololinjectie aantoonbaar is.
Een soortgelijke verbetering in de opsporing is de ontdekking dat de metaboliet 17alfa-ethyl-5beta-estrane-3alfa,17beta-diol of EED het gebruik van norethandrolone en ethylestrenol verraadt. De metaboliet 17alfa-methyl-5beta-androstane-3alfa,17beta-diol of MeAD is daarnaast een goede verklikker gebleken voor methyltestosteron, methylboldenon en methandriol.
3. Nieuwe steroiden
De introductie van nieuwe steroiden door de hormoonmaffia gaat door. Opspoorders die weefselmonsters rond verse spuitgaten met NMR [ErGs] onderzochten vonden daar de progestagenen flugestone-acetaat en allylestrenol en de anabole steroide norclostebol-acetaat.
4. Ecdysteroiden
De onderzoekers nemen ecdysteroiden serieus en beschikken kennelijk over aanwijzingen dat de hormoonmaffia experimenteert met de goedkope en makkelijk leverbare insectenhormonen. In planten en dieren hebben wetenschappers inmiddels 150 soorten ecdysteroiden aangetroffen: alfa-ecdysteron in insecten, 20-hydroxy-ecdyson (alias beta-ecdyson, ecdysteron, crustecdysteron, isoinokosteron) in krabben, en de pronasterones en makisterone in planten.
De meeste commerciële preparaten komen uit planten als de Braziliaanse ginseng of Pfaffia. De onderzoekers noemen ook ajugasteron C, dat net zo anabool zou zijn als de gangbare ecdysteroiden. De dosering van al deze stoffen is ongeveer vijf milligram per kilo lichaamsgewicht per dag.
Als de Russische studies uit de jaren zestig, zeventig en tachtig, die de onderzoekers aanvoeren als bewijs van de werking van deze stoffen, kloppen, dan zou de opsporing wel eens moeilijk kunnen worden. Er zitten zoveel alcohol- en ketongroepen aan ecdysteroiden vast dat identificatie door massaspectrometrie niet werkt.
5. Groeihormoon
Varkensgroeihormoon is in Australië legaal. Rundergroeihormoon is al langere tijd op de markt en is niet zo moeilijk op te sporen. Het heeft ergens in het molecuul een extra aminozuur leucine die het biologische bovine GH niet heeft.
6. Nieuwe clenbuterolvarianten
Een ontdekking in Italië maakte duidelijk dat de hormoonmaffia op grote schaal nieuwe varianten van clenbuterol introduceert en fabriceert. Onderzoekers vonden stoffen als compound A, clenmeterol en andere componenten, die extra aromatische ringen hadden gekregen en daardoor makkelijker oplossen in vet. Belangrijke reden voor de modificatie was het bemoeilijken van de opsporing. Bij in vitro studies was door de wijziging het effect op de hartspier groter geworden. Er zijn aanwijzingen dat in vivo de bijwerkingen dan juist minder zijn omdat de stof minder snel in het bloed terechtkomt en vooral lokaal zijn werk doet.
Ook nieuw op de Europese zwarte markt: ractopamine, een in de VS legale beta-agonist voor varkens, en zilpaterol, een zwakke beta-agonist - heeft tien procent van de werking van clen, schatten de onderzoekers - uit Zuid Amerika. Zilpaterol is niet op te sporen door zijn afwijkende chemische structuur.
Onlangs vonden Nederlandse onderzoekers nog een clenbuterolvariant in veevoer die nog volkomen onbekend was. De verbinding had zelfs geen naam.(2)
7. Plantaardige clenbuterolvarianten
Net als bij de thyreostatica maken de onderzoekers zich ook sappel over de supplementenversies van de beta-agonisten. De meest voorkomende is hordenine, een stof die vrijkomt bij de afbraak van tyramine. (Tyramine is bestanddeel van sommige voedingsmiddelen en ontstaat bij de omzetting van l-tyrosine. Tyramine wordt afgebroken door het enzym MAO. Slik je MAO-remmers of Sint Janskruid, dan kun je van tyramine een verhoogde bloeddruk krijgen - met de bijbehorende stijve nek en hoofdpijn-aanvallen.)
Hordenine is één van de actieve stoffen het chinese kruid Zhi Shi en in cactussen. In de paardensport wordt het al langere tijd gebruikt als stimulerend middel, en het versnelt misschien de afbraak van vet.
De onderzoekers zijn er vrij zeker van dat de maffia hordenine gebruikt.
8. Corticosteroiden
Het populairste product van de maffia, denken de onderzoekers. Nieuw zijn de esters van het klassieke cortisol, die nauwelijks zijn op te sporen in vleesmonsters.
Waarschijnlijk worden corticosteroiden vooral gebruikt in cocktails met anabolen of beta-agonisten. In lage doses stimuleren ze de voedselinname door - en dat compenseert de teruglopende eetlust die de beta-agonisten veroorzaken. Daarnaast zorgen ze ervoor dat het vlees meer vocht bevat en lijken ze de aanmaak van het receptoreiwit te stimuleren waaraan beta-agonisten zich vastmaken.
9. Quinoxalines
De meest gebruikte synthetische quinoxalines zijn carbadox en olaquindox. Ze versnellen de groei doordat ze schadelijke bacteriën in de spijsvertering doden. Doordat het immuunsysteem wordt ontlast heeft het lichaam meer eiwit en energie om te groeien. Nadeel van de quinoxalines: ze zijn kankerverwekkend. Brussel heeft ze daarom verboden en sindsdien vindt het gebruik van deze middelen ondergronds plaats.
NMR-onderzoekers in Italië hebben gemeld dat er al gemodificeerde varianten op de zwarte markt circuleren, zoals methyl 3-methyl-2-quinoxalinecarboxylaat-1,4-dioxide. Waarschijnlijk is die stof nog riskanter dan de verboden quinoxalines. De opsporingstechnologie voor deze stoffen staat nog in de kinderschoenen.
10. NSAIDs
Dieren krijgen vaak COX-blokkers als salicylaten als ze op transport moeten. De stoffen verminderen de stressrespons. Toediening voor de slacht maakt het bloed dunner, en vergemakkelijkt het leegbloeden. Zeker als je lichtgekleurd vlees wilt - zoals bij varkensvlees en kip - is dat mooi meegenomen.
11. Benzodiazepines
Stimuleren de eetlust, verminderen stress en gaan de bijwerkingen van de beta-agonisten tegen.
Slot
Toekomstige historici zullen van publicaties als het hierboven besproken artikel leren hoe wij met onze dieren omgaan. Met verbazing en walging zullen ze constateren dat we ze levenslang opsloten in fabrieken, hun instincten frustreerden, ze volpropten met chemicaliën en ze na een leven van mishandeling slachtten - terwijl we over de technologie beschikten om onze eiwitten ook uit eencellige organismen of planten te halen.
Het opvoeren van de spier- en vleesmassa van vee gebeurt steeds slimmer. De hormoonmaffia leert snel. Dat blijkt uit een overzichtsartikel van Belgische en Franse onderzoekers, waarin ze elf trends voor het voetlicht halen.
Opgespoorde ampullen, flesjes en injectienaalden, eigen onderzoek met nieuwe methoden, een speurtocht op het internet en gesprekken met sleutelfiguren in de opsporing. Daaruit haalden de auteurs het materiaal voor een update over de verboden veterinaire farmacologie. Die is succesvoller dan de consument weet. De schaarse berichten in de media komen vooral uit de slachthuizen, waar hormoonjagers soms de sporen van illegale groeitechnologie ontdekken. Maar nieuwe, niet op te sporen stoffen en geavanceerde kennis van het metabolisme maken dat maar een fractie van het middelengebruik aan het licht komt.
De illegale veterinaire groeitechnologie is ontwikkeld door criminele netwerken die zich uitspannen over Europa. Het zijn heuse organisaties, weten criminologen inmiddels, compleet met een structuur, doelstellingen en een langetermijnvisie. Die netwerken maken gebruikt van intimidatie, bedreigingen, geweld en corruptie en benutten ogenschijnlijk legitieme bedrijven en andere organisaties als dekmantel. Bovendien heeft de maffia toegang tot kennis en laboratoria.
1. Thyreostatica
Thyreostatica remmen de werking van de schildklierhormonen T3 en T4 en stimuleren zo de aanzet van vlees - vooral van vet. Middelen als de thiouracillen en tapazole zijn goedkoop en goed verkrijgbaar op de zwarte markt. Een veelvoorkomende kuur is het gebruik van vijf gram 6-methyl-2-thouracil per dag, dertig dagen lang. Een nieuw middel is imercaptobenzimidazole. Geregeld vinden onderzoekers thyreostatica in de schildklier van geslachte dieren.
Een probleem apart zijn de supplementenversies van deze middelen. Veel plantenmaterialen, vooral die van koolsoorten, bevatten de zwavelhoudende oxazolidine-2-thiones. Raapzaad bevat bijvoorbeeld veel 5-vinyl-oxazolidine-2-thione of 5-VTO. Zeker nu raapzaadmeel - beter bekend als canola - als goedkope eiwitbron steeds vaker opduikt in veevoer, stijgt de kans dat melk meer 5-VTO gaat bevatten dan gezond is.
2. Stanozolol
Stanozolol wordt populairder bij de hormoonmaffia. Dat komt vooral omdat het zo snel omzet waardoor de pakkans gering is. Na vijf dagen is het spul weg. Hormoonjagers kijken daarom nu naar de metaboliet 16beta-hydroxystanozolol, die nog 17 dagen na een stanozololinjectie aantoonbaar is.
Een soortgelijke verbetering in de opsporing is de ontdekking dat de metaboliet 17alfa-ethyl-5beta-estrane-3alfa,17beta-diol of EED het gebruik van norethandrolone en ethylestrenol verraadt. De metaboliet 17alfa-methyl-5beta-androstane-3alfa,17beta-diol of MeAD is daarnaast een goede verklikker gebleken voor methyltestosteron, methylboldenon en methandriol.
3. Nieuwe steroiden
De introductie van nieuwe steroiden door de hormoonmaffia gaat door. Opspoorders die weefselmonsters rond verse spuitgaten met NMR [ErGs] onderzochten vonden daar de progestagenen flugestone-acetaat en allylestrenol en de anabole steroide norclostebol-acetaat.
4. Ecdysteroiden
De onderzoekers nemen ecdysteroiden serieus en beschikken kennelijk over aanwijzingen dat de hormoonmaffia experimenteert met de goedkope en makkelijk leverbare insectenhormonen. In planten en dieren hebben wetenschappers inmiddels 150 soorten ecdysteroiden aangetroffen: alfa-ecdysteron in insecten, 20-hydroxy-ecdyson (alias beta-ecdyson, ecdysteron, crustecdysteron, isoinokosteron) in krabben, en de pronasterones en makisterone in planten.
De meeste commerciële preparaten komen uit planten als de Braziliaanse ginseng of Pfaffia. De onderzoekers noemen ook ajugasteron C, dat net zo anabool zou zijn als de gangbare ecdysteroiden. De dosering van al deze stoffen is ongeveer vijf milligram per kilo lichaamsgewicht per dag.
Als de Russische studies uit de jaren zestig, zeventig en tachtig, die de onderzoekers aanvoeren als bewijs van de werking van deze stoffen, kloppen, dan zou de opsporing wel eens moeilijk kunnen worden. Er zitten zoveel alcohol- en ketongroepen aan ecdysteroiden vast dat identificatie door massaspectrometrie niet werkt.
5. Groeihormoon
Varkensgroeihormoon is in Australië legaal. Rundergroeihormoon is al langere tijd op de markt en is niet zo moeilijk op te sporen. Het heeft ergens in het molecuul een extra aminozuur leucine die het biologische bovine GH niet heeft.
6. Nieuwe clenbuterolvarianten
Een ontdekking in Italië maakte duidelijk dat de hormoonmaffia op grote schaal nieuwe varianten van clenbuterol introduceert en fabriceert. Onderzoekers vonden stoffen als compound A, clenmeterol en andere componenten, die extra aromatische ringen hadden gekregen en daardoor makkelijker oplossen in vet. Belangrijke reden voor de modificatie was het bemoeilijken van de opsporing. Bij in vitro studies was door de wijziging het effect op de hartspier groter geworden. Er zijn aanwijzingen dat in vivo de bijwerkingen dan juist minder zijn omdat de stof minder snel in het bloed terechtkomt en vooral lokaal zijn werk doet.
Ook nieuw op de Europese zwarte markt: ractopamine, een in de VS legale beta-agonist voor varkens, en zilpaterol, een zwakke beta-agonist - heeft tien procent van de werking van clen, schatten de onderzoekers - uit Zuid Amerika. Zilpaterol is niet op te sporen door zijn afwijkende chemische structuur.
Onlangs vonden Nederlandse onderzoekers nog een clenbuterolvariant in veevoer die nog volkomen onbekend was. De verbinding had zelfs geen naam.(2)
7. Plantaardige clenbuterolvarianten
Net als bij de thyreostatica maken de onderzoekers zich ook sappel over de supplementenversies van de beta-agonisten. De meest voorkomende is hordenine, een stof die vrijkomt bij de afbraak van tyramine. (Tyramine is bestanddeel van sommige voedingsmiddelen en ontstaat bij de omzetting van l-tyrosine. Tyramine wordt afgebroken door het enzym MAO. Slik je MAO-remmers of Sint Janskruid, dan kun je van tyramine een verhoogde bloeddruk krijgen - met de bijbehorende stijve nek en hoofdpijn-aanvallen.)
Hordenine is één van de actieve stoffen het chinese kruid Zhi Shi en in cactussen. In de paardensport wordt het al langere tijd gebruikt als stimulerend middel, en het versnelt misschien de afbraak van vet.
De onderzoekers zijn er vrij zeker van dat de maffia hordenine gebruikt.
8. Corticosteroiden
Het populairste product van de maffia, denken de onderzoekers. Nieuw zijn de esters van het klassieke cortisol, die nauwelijks zijn op te sporen in vleesmonsters.
Waarschijnlijk worden corticosteroiden vooral gebruikt in cocktails met anabolen of beta-agonisten. In lage doses stimuleren ze de voedselinname door - en dat compenseert de teruglopende eetlust die de beta-agonisten veroorzaken. Daarnaast zorgen ze ervoor dat het vlees meer vocht bevat en lijken ze de aanmaak van het receptoreiwit te stimuleren waaraan beta-agonisten zich vastmaken.
9. Quinoxalines
De meest gebruikte synthetische quinoxalines zijn carbadox en olaquindox. Ze versnellen de groei doordat ze schadelijke bacteriën in de spijsvertering doden. Doordat het immuunsysteem wordt ontlast heeft het lichaam meer eiwit en energie om te groeien. Nadeel van de quinoxalines: ze zijn kankerverwekkend. Brussel heeft ze daarom verboden en sindsdien vindt het gebruik van deze middelen ondergronds plaats.
NMR-onderzoekers in Italië hebben gemeld dat er al gemodificeerde varianten op de zwarte markt circuleren, zoals methyl 3-methyl-2-quinoxalinecarboxylaat-1,4-dioxide. Waarschijnlijk is die stof nog riskanter dan de verboden quinoxalines. De opsporingstechnologie voor deze stoffen staat nog in de kinderschoenen.
10. NSAIDs
Dieren krijgen vaak COX-blokkers als salicylaten als ze op transport moeten. De stoffen verminderen de stressrespons. Toediening voor de slacht maakt het bloed dunner, en vergemakkelijkt het leegbloeden. Zeker als je lichtgekleurd vlees wilt - zoals bij varkensvlees en kip - is dat mooi meegenomen.
11. Benzodiazepines
Stimuleren de eetlust, verminderen stress en gaan de bijwerkingen van de beta-agonisten tegen.
Slot
Toekomstige historici zullen van publicaties als het hierboven besproken artikel leren hoe wij met onze dieren omgaan. Met verbazing en walging zullen ze constateren dat we ze levenslang opsloten in fabrieken, hun instincten frustreerden, ze volpropten met chemicaliën en ze na een leven van mishandeling slachtten - terwijl we over de technologie beschikten om onze eiwitten ook uit eencellige organismen of planten te halen.
Antimicrobiële groeibevorderaars
Antimicrobiële groeibevorderaars
Gepubliceerd
28 september 1998
Download publicaties
Achtergrond
Kan het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar in de dierhouderij leiden tot het ontstaan van bacteriële resistentie bij de mens? Deze vraag wordt de laatste jaren met steeds grotere nadruk opgeworpen. Weliswaar zijn hierover veel wetenschappelijke publicaties verschenen, maar een duidelijk antwoord lijkt nog te ontbreken.
Het Wetenschappelijk Comité voor Diervoeding van de Europese Commissie bracht in juli 1996 een rapport uit over avoparcine, een veel gebruikte antimicrobiële groeibevorderaar (AMGB). Avoparcine is verwant aan vancomycine, het enige thans nog beschikbare antibioticum dat effectief is bij de behandeling van patiënten met infecties van methicillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA). Resistentie tegen vancomycine doet zich al voor bij een andere verwekker van ziekenhuisinfecties: Enterococcus spp.. Hoewel het comité meende dat er geen sluitend wetenschappelijk bewijs was voor de vorming van resistentie van voor de mens pathogene bacteriën als gevolg van het gebruik van avoparcine als groeibevorderaar bij landbouwhuisdieren, achtte het de aanwijzingen in die richting ook niet voldoende weerlegd. Mede op grond van deze conclusie heeft de Europese Commissie het gebruik van avoparcine als groeibevorderaar in de EU tot 1999 verboden.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft, mede namens de Staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Gezondheidsraad in juli 1997 advies gevraagd over de gezondheidsrisico’s van het gebruik van antimicrobiële groeibevorderaars in de dierhouderij. In het voorliggende advies geeft een ter beantwoording van deze vraag ingestelde commissie van de Raad een beknopt overzicht van hetgeen bekend is over resistentie-ontwikkeling bij de mens, in het bijzonder tegen de antibiotica die, behalve als antimicrobiële groeibevorderaar, ook als geneesmiddel worden gebruikt.
Bevindingen
Antimicrobiële groeibevorderaars worden in Nederland in ruime mate in de dierhouderijgebruikt. Het vóórkomen van resistentie tegen deze antibiotica in de darmflora van de behandelde landbouwhuisdieren staat met dit gebruik in verband. Deze bacteriële resistentieis niet alleen aangetroffen bij mensen die met deze dieren in driect contact staan,maar ook bij gezonde stedelingen.
De ontwikkeling van antibioticumresistentie bij mensen heeft belangrijke risico’s voor de volksgezondheid. Het resistentieprobleem in ziekenhuizen wordt voornamelijk veroorzaakt door het therapeutisch gebruik van antibiotica bij de behandeling van daar verblijvende patiënten. De oorzaak van resistentie-ontwikkeling in de algemene bevolking is echter minder duidelijk. Wel is duidelijk dat deze oorzaak niet alleen kan liggen in het therapeutisch gebruik van antibiotica in de medische praktijk. Omdat overdracht van resistente bacteriën van dier naar mens mogelijk is, draagt het gebruik van antimicrobiële middelen in de dierhouderij, waaronder groeibevorderaars, bij aan het resistentieprobleem bij de mens.
De toepassing van antimicrobiële groeibevorderaars in de dierhouderij levert een aanzienlijkebijdrage aan het totale gebruik van antibiotica in Nederland. Het is duidelijk dathet gebruik van verscheidene antibiotica, zoals avoparcine, bacitracine, tylosine, carbadoxen olaquindox, als AMGB in de dierhouderij leidt tot resistentie tegen deze middelenbij dieren. Eveneens is duidelijk dat zowel resistente voor de mens pathogene bacteriën(Salmonella spp., Campylobacter spp.) als resistente commensale bacteriën (E. colien enterokokken) uit de darmflora van landbouwhuisdieren de mens kunnen besmetten. De mogelijkheid van overdracht van resistentiegenen van bacteriën van landbouwhuisdieren naar voor de mens pathogene micro-organismen, waardoor resistente pathogenen ontstaan, is aannemelijk gemaakt, zowel in laboratorium- als in veldonderzoek. De gegevens over de prevalentie van vancomycineresistente Enterococcus spp. (VRE) geven sterke aanwijzingen dat de zogeheten vanA-resistentiegenen, die zijn aangetoond in enterokokken bij de mens in de algemene bevolking, afkomstig kunnen zijn uit de dierpopulatie. De relatieve bijdrage van het reservoir aan resistentiegenen bij dieren aan de prevalentie van resistente micro-organismen bij de mens is echter nog niet bekend.
Bacteriële resistentie tegen antibiotica die als groeibevorderaar worden gebruikt én
als therapeuticum (al dan niet in de vorm van een structuur-analoog) in de geneeskunde, zoals de glycopeptiden en de MLS-antibiotica, komt niet alleen voor in ziekenhuizen maar ook in de algemene bevolking.
Infecties van resistente bacteriën veroorzaken een sterke toename van het aantal complicaties, een langere ziekteduur, therapiefalen en een hoger sterfterisico tot gevolg. Dit gaat gepaard met een verhoging van de kosten voor medische zorg. In Nederland is het resistentievraagstuk op dit moment nog beheersbaar, maar ontwikkelingen in andere delen van Europa en in de Verenigde Staten zijn verontrustend. Zo heeft men in de Verenigde Staten grote problemen met de bestrijding van ziekenhuisinfecties van multiresistente, ook vancomycineresistente, enterokokken. Als de vancomycineresistentie wordt overgedragen op de MRSA-bacterie, hetgeen de commissie zeker niet uitgesloten acht, ontstaat een zeer ernstige situatie voor de volksgezondheid.
De commissie concludeert dat het verschijnsel van bacteriële resistentie tegen antibiotica een niet te verontachtzamen risico betekent voor de volksgezondheid dat om spoedig te nemen maatregelen vraagt. Hoewel de kennis over de bijdrage van het AMGB-gebruik aan de ernst van het probleem nog niet volledig is, meent zij dat met betrekking tot dit gebruik concrete maatregelen gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn.
Maatregelen
Maatregelen ter inperking van risico’s voor de volksgezondheid moeten zich in de zienswijze van de commissie richten op een effectieve vermindering van de kans op resistentie-ontwikkeling voor middelen die als therapeutica bij mens en dier worden of zullen worden toegepast, én op een reductie van de totale resistentiegenenpool in het biotisch milieu. Met het oog op de volksgezondheid geeft de commissie met betrekking tot het gebruik van AMGB’s de volgende maatregelen in overweging:
Een zo spoedig mogelijke beëindiging van het gebruik van de middelen die leiden tot resistentie tegen antibiotica die op dit moment worden toegepast bij de behandeling van patiënten met bacteriële infecties en daaraan verwante antibiotica. Het betreft de antimicrobiële groeibevorderaars avoparcine, tylosine en spiramycine. Deze aanbeveling geldt ook voor de AMGB’s die verwant zijn aan antibiotica welke op termijn beschikbaar zullen komen voor toepassing bij de mens en waarvoor kruisresistentie bestaat (virginiamycine, avilamycine en bacitracine).
Op de langere termijn beëindiging van het gebruik van alle antimicrobiële middelen als groeibevorderaar in de dierhouderij. De commissie denkt hier aan een termijn van drie jaar. Aangeraden wordt te bevorderen dat in deze periode verder onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen voor de diergezondheid en naar de mogelijkheden van het gebruik van alternatieven zoals pro- en prebiotica, organische zuren en enzymen.
Het opzetten van een surveillance-netwerk, bij voorkeur op EU-niveau, om de ontwikkeling van antibioticumresistentie te signaleren door het controleren van bacteriën afkomstig van mens en dier en van producten uit de voedselketen. Het is essentieel dat de uitkomsten van een dergelijke resistentiesurveillance kunnen worden gekoppeld aan betrouwbare gegevens over het gebruik van antibiotica bij mens en dier. Daarom moet worden bevorderd dat de verbruiksgegevens van deze middelen adequaat en op toegankelijke wijze worden geregistreerd.
Ten slotte wijst de commissie op de noodzaak het therapeutisch gebruik van antibiotica bij de mens en het therapeutisch en preventief gebruik bij het dier kritisch te (blijven) volgen en waar mogelijk te beperken.
Gezien het internationale handelsverkeer is het wenselijk dat de maatregelen gericht op het terugdringen van bacteriële resistentie-ontwikkeling als gevolg van AMGB-gebruik niet beperkt blijven tot Nederland. Terwille van een optimale doeltreffendheid moeten dergelijke maatregelen in internationaal verband, en tenminste op het niveau van de Europese Unie worden genomen.
Download publicaties Gezondheidsraad: Commissie Antimicrobiële groeibevorderaars. Antimicrobiële groeibevorderaars. Rijswijk: Gezondheidsraad, 1998; publicatie nr 1998/15.
Download publicaties
Gepubliceerd
28 september 1998
Download publicaties
Achtergrond
Kan het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar in de dierhouderij leiden tot het ontstaan van bacteriële resistentie bij de mens? Deze vraag wordt de laatste jaren met steeds grotere nadruk opgeworpen. Weliswaar zijn hierover veel wetenschappelijke publicaties verschenen, maar een duidelijk antwoord lijkt nog te ontbreken.
Het Wetenschappelijk Comité voor Diervoeding van de Europese Commissie bracht in juli 1996 een rapport uit over avoparcine, een veel gebruikte antimicrobiële groeibevorderaar (AMGB). Avoparcine is verwant aan vancomycine, het enige thans nog beschikbare antibioticum dat effectief is bij de behandeling van patiënten met infecties van methicillineresistente Staphylococcus aureus (MRSA). Resistentie tegen vancomycine doet zich al voor bij een andere verwekker van ziekenhuisinfecties: Enterococcus spp.. Hoewel het comité meende dat er geen sluitend wetenschappelijk bewijs was voor de vorming van resistentie van voor de mens pathogene bacteriën als gevolg van het gebruik van avoparcine als groeibevorderaar bij landbouwhuisdieren, achtte het de aanwijzingen in die richting ook niet voldoende weerlegd. Mede op grond van deze conclusie heeft de Europese Commissie het gebruik van avoparcine als groeibevorderaar in de EU tot 1999 verboden.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft, mede namens de Staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Gezondheidsraad in juli 1997 advies gevraagd over de gezondheidsrisico’s van het gebruik van antimicrobiële groeibevorderaars in de dierhouderij. In het voorliggende advies geeft een ter beantwoording van deze vraag ingestelde commissie van de Raad een beknopt overzicht van hetgeen bekend is over resistentie-ontwikkeling bij de mens, in het bijzonder tegen de antibiotica die, behalve als antimicrobiële groeibevorderaar, ook als geneesmiddel worden gebruikt.
Bevindingen
Antimicrobiële groeibevorderaars worden in Nederland in ruime mate in de dierhouderijgebruikt. Het vóórkomen van resistentie tegen deze antibiotica in de darmflora van de behandelde landbouwhuisdieren staat met dit gebruik in verband. Deze bacteriële resistentieis niet alleen aangetroffen bij mensen die met deze dieren in driect contact staan,maar ook bij gezonde stedelingen.
De ontwikkeling van antibioticumresistentie bij mensen heeft belangrijke risico’s voor de volksgezondheid. Het resistentieprobleem in ziekenhuizen wordt voornamelijk veroorzaakt door het therapeutisch gebruik van antibiotica bij de behandeling van daar verblijvende patiënten. De oorzaak van resistentie-ontwikkeling in de algemene bevolking is echter minder duidelijk. Wel is duidelijk dat deze oorzaak niet alleen kan liggen in het therapeutisch gebruik van antibiotica in de medische praktijk. Omdat overdracht van resistente bacteriën van dier naar mens mogelijk is, draagt het gebruik van antimicrobiële middelen in de dierhouderij, waaronder groeibevorderaars, bij aan het resistentieprobleem bij de mens.
De toepassing van antimicrobiële groeibevorderaars in de dierhouderij levert een aanzienlijkebijdrage aan het totale gebruik van antibiotica in Nederland. Het is duidelijk dathet gebruik van verscheidene antibiotica, zoals avoparcine, bacitracine, tylosine, carbadoxen olaquindox, als AMGB in de dierhouderij leidt tot resistentie tegen deze middelenbij dieren. Eveneens is duidelijk dat zowel resistente voor de mens pathogene bacteriën(Salmonella spp., Campylobacter spp.) als resistente commensale bacteriën (E. colien enterokokken) uit de darmflora van landbouwhuisdieren de mens kunnen besmetten. De mogelijkheid van overdracht van resistentiegenen van bacteriën van landbouwhuisdieren naar voor de mens pathogene micro-organismen, waardoor resistente pathogenen ontstaan, is aannemelijk gemaakt, zowel in laboratorium- als in veldonderzoek. De gegevens over de prevalentie van vancomycineresistente Enterococcus spp. (VRE) geven sterke aanwijzingen dat de zogeheten vanA-resistentiegenen, die zijn aangetoond in enterokokken bij de mens in de algemene bevolking, afkomstig kunnen zijn uit de dierpopulatie. De relatieve bijdrage van het reservoir aan resistentiegenen bij dieren aan de prevalentie van resistente micro-organismen bij de mens is echter nog niet bekend.
Bacteriële resistentie tegen antibiotica die als groeibevorderaar worden gebruikt én
als therapeuticum (al dan niet in de vorm van een structuur-analoog) in de geneeskunde, zoals de glycopeptiden en de MLS-antibiotica, komt niet alleen voor in ziekenhuizen maar ook in de algemene bevolking.
Infecties van resistente bacteriën veroorzaken een sterke toename van het aantal complicaties, een langere ziekteduur, therapiefalen en een hoger sterfterisico tot gevolg. Dit gaat gepaard met een verhoging van de kosten voor medische zorg. In Nederland is het resistentievraagstuk op dit moment nog beheersbaar, maar ontwikkelingen in andere delen van Europa en in de Verenigde Staten zijn verontrustend. Zo heeft men in de Verenigde Staten grote problemen met de bestrijding van ziekenhuisinfecties van multiresistente, ook vancomycineresistente, enterokokken. Als de vancomycineresistentie wordt overgedragen op de MRSA-bacterie, hetgeen de commissie zeker niet uitgesloten acht, ontstaat een zeer ernstige situatie voor de volksgezondheid.
De commissie concludeert dat het verschijnsel van bacteriële resistentie tegen antibiotica een niet te verontachtzamen risico betekent voor de volksgezondheid dat om spoedig te nemen maatregelen vraagt. Hoewel de kennis over de bijdrage van het AMGB-gebruik aan de ernst van het probleem nog niet volledig is, meent zij dat met betrekking tot dit gebruik concrete maatregelen gerechtvaardigd en noodzakelijk zijn.
Maatregelen
Maatregelen ter inperking van risico’s voor de volksgezondheid moeten zich in de zienswijze van de commissie richten op een effectieve vermindering van de kans op resistentie-ontwikkeling voor middelen die als therapeutica bij mens en dier worden of zullen worden toegepast, én op een reductie van de totale resistentiegenenpool in het biotisch milieu. Met het oog op de volksgezondheid geeft de commissie met betrekking tot het gebruik van AMGB’s de volgende maatregelen in overweging:
Een zo spoedig mogelijke beëindiging van het gebruik van de middelen die leiden tot resistentie tegen antibiotica die op dit moment worden toegepast bij de behandeling van patiënten met bacteriële infecties en daaraan verwante antibiotica. Het betreft de antimicrobiële groeibevorderaars avoparcine, tylosine en spiramycine. Deze aanbeveling geldt ook voor de AMGB’s die verwant zijn aan antibiotica welke op termijn beschikbaar zullen komen voor toepassing bij de mens en waarvoor kruisresistentie bestaat (virginiamycine, avilamycine en bacitracine).
Op de langere termijn beëindiging van het gebruik van alle antimicrobiële middelen als groeibevorderaar in de dierhouderij. De commissie denkt hier aan een termijn van drie jaar. Aangeraden wordt te bevorderen dat in deze periode verder onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen voor de diergezondheid en naar de mogelijkheden van het gebruik van alternatieven zoals pro- en prebiotica, organische zuren en enzymen.
Het opzetten van een surveillance-netwerk, bij voorkeur op EU-niveau, om de ontwikkeling van antibioticumresistentie te signaleren door het controleren van bacteriën afkomstig van mens en dier en van producten uit de voedselketen. Het is essentieel dat de uitkomsten van een dergelijke resistentiesurveillance kunnen worden gekoppeld aan betrouwbare gegevens over het gebruik van antibiotica bij mens en dier. Daarom moet worden bevorderd dat de verbruiksgegevens van deze middelen adequaat en op toegankelijke wijze worden geregistreerd.
Ten slotte wijst de commissie op de noodzaak het therapeutisch gebruik van antibiotica bij de mens en het therapeutisch en preventief gebruik bij het dier kritisch te (blijven) volgen en waar mogelijk te beperken.
Gezien het internationale handelsverkeer is het wenselijk dat de maatregelen gericht op het terugdringen van bacteriële resistentie-ontwikkeling als gevolg van AMGB-gebruik niet beperkt blijven tot Nederland. Terwille van een optimale doeltreffendheid moeten dergelijke maatregelen in internationaal verband, en tenminste op het niveau van de Europese Unie worden genomen.
Download publicaties Gezondheidsraad: Commissie Antimicrobiële groeibevorderaars. Antimicrobiële groeibevorderaars. Rijswijk: Gezondheidsraad, 1998; publicatie nr 1998/15.
Download publicaties
Wat is Koe?
Wat is Koe?
Er staan ’s zomers nog koeien in de wei. Maar ze dreigen uit het landschap te verdwijnen omdat het voor een boer nu eenmaal veel makkelijker en voordeliger is om zijn koeien op stal te houden. Een koe die in de wei loopt, kost immers scheppen geld want ze vreet voor zes. Met haar tong maait ze een portie gras naar binnen, en met haar poten vertrapt ze tegelijk vier andere porties. Om de zoveel tijd piest en poept ze en maakt zo het gras op die plek voor andere koeien ongeschikt voor consumptie.
Al dat gewandel door de wei kost bovendien energie, maar daarvoor laat een boer zijn koe niet eten. Ze wordt geacht al haar energie te gebruiken om melk te produceren. Dus is het voordeliger de koe op stal te laten staan en de boer te laten grazen. Hij maait het gras en brengt het vervolgens bij de koeien die in grote stallen staan. Of liggen, want dat is het voordeligst. Zo verdwijnen de koeien langzaam maar zeker uit het Nederlandse landschap en slijten ze het grootste deel van hun productieve leven in stallen waar ze zich stierlijk vervelen.
Dat er zomers nog koeien in de wei staan, is vooral bedoeld om reclame voor de agrosector te maken. Het groene, gezonde imago van die bedrijfstak heeft de afgelopen jaren een paar fikse deuken opgelopen. Dat begon in de jaren tachtig van de vorige eeuw met de Westlandse tuinders die van de Duitse consument op hun brood kregen dat ze geen tomaten, maar 'wasserbomben' produceerden. Geen smakelijke liefdesappels, zoals de tomaat vroeger werd genoemd, maar snottebellen in een rood velletje.
Daarna brak de rel rond de gekke koeienziekte los. Een uitbraak van varkenspest niet lang daarna deed de rest. De gruwelijke beelden van varkenslijken die met een grijper in grote vrachtwagens werden geladen alsof het om balen hooi ging, zorgden er voor dat de Nederlandse consument zich voor het eerst ging afvragen waar ze op het platteland nou in hemelsnaam mee bezig waren.
Maar het geheugen van de consument is kort, en eenmaal in de supermarkt blijkt zijn denkvermogen vooral in de portemonnee te zitten. De vleesconsumptie is binnen een paar maanden na zo’n calamiteit weer snel op het oude niveau. Een schandaal met de Belgische dioxinekippen en varkens die vol zitten met kankerverwekkende stoffen zorgde voor niet veel meer dan een lichte rimpeling en tijdelijke verschuiving in het eetgedrag.
In veevoer wordt rioolslib, bedrijfsafval en slachtafval verwerkt. Rioolslib is de viezigheid die in de zuiveringsinstallaties uit het rioolwater wordt gehaald voordat dat water weer de sloten in mag. Bedrijfsafval is de verzamelnaam voor de restanten van bijvoorbeeld restaurants, ziekenhuizen of kantines van grote bedrijven. Slachtafval is niet alleen alles wat een slager niet meer kan verkopen. Ook de kadavers van de op de boerderij gestorven dieren die de boeren langs de kant van de weg leggen, horen er toe. De consument ligt er allang niet meer wakker van dat hij delen van deze weerzinwekkende cocktail in de vorm van een biefstuk of karbonade op zijn bord terugvindt.
De affaires van de afgelopen jaren hebben echter wel één ding duidelijk gemaakt. Terwijl de consument zich gulzig te goed had gedaan aan weer een goedkope karbonade, vormde de landbouw zich om van een natuurlijke agrarische activiteit tot een kunstmatige industriële tak van economische bedrijvigheid. Dieren werden gedegradeerd tot machines die moeten gehoorzamen aan de ijzeren wetten van de industriële productie. Als een machine eenmaal aan staat, moet die als het even kan vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week en tweeënvijftig weken per jaar produceren.
Dat industriële beeld van de landbouw moest volgens de voormannen uit de sector zo snel mogelijk weg van het netvlies van de consument. En daarom stuurden veel boeren hun koeien weer naar buiten. Het is overigens meestal jongvee dat nog geen melk geeft en ze staan op een stukje land waar de boer net gemaaid heeft. Of op een stukje land waar hij van plan is binnenkort nieuw gras in te zaaien. Zijn ze 's zomers buiten, maar kunnen ze niets vernielen.
Toch zijn de koeien in de wei, voor wie goed kijkt, geen reclame voor de landbouw. Een normale koe heeft op haar kop twee horens, maar in de veeteelt zijn ze weggehaald. Dat vindt de boer nodig omdat de ruimte per koe in de stallen vergeleken met het weiland niet erg groot is. Veel levende wezens in een kleine ruimte leiden tot irritatie en dan wil er onderling nog wel eens een tik worden uitgedeeld. Maar als de horens van een kop zijn gehaald, blijft de schade beperkt tot een onschuldig kopstootje. Bovendien kunnen die horens behoorlijk in de weg zitten als een koe in de stal zijn kop door het hekwerk waarachter het voer ligt, moet steken.
In plaats van horens op hun kop hebben de koeien nu gele nummerborden in hun oren geslagen kregen. Die nummerborden voor koeien zijn nodig omdat er met koeien gefraudeerd kan worden. Veel boeren zijn overigens tegen die nummerplaten, maar ze moeten wel. Zonder gele nummerplaat is een kalf of koe onverkoopbaar. Het kalf voelt, naar zeggen van de uitvinders van het systeem, niets van die nummerplaten. Het is een soort piercing, maar wel met dit verschil dat het kalf er niet om heeft gevraagd.
Een melkveehouder is altijd op zoek naar mogelijkheden om de productiviteit van zijn veestapel te verhogen. Daarom koopt hij af en toe nieuwe koeien ter vervanging van koeien die zijn uitgemolken. De hoogte van de prijs van een koe wordt bepaald door haar melkproductie, maar hoe hoog die zal zijn, moet nog maar worden afgewacht. Daarom kijkt een boer als hij een koe koopt niet zozeer naar de koe, maar logischerwijs naar haar ouders. Als de moederkoe een hoge productie had, en de stier ook hoogproductieve nakomelingen, is de kans groot dat hun nageslacht eveneens hoogproductief is.
Die burgerlijke standgegevens staan nu op de gele nummerborden in de koeien-oren. Vroeger had de koe een paspoort dat door de boer in huis werd bewaard. In dat boekje stonden alle gegevens van het voorgeslacht van de koe, inclusief een soort pasfoto van het dier. Elke koe heeft een voor haar specifieke tekening van zwarte en witte vlekken op de vacht. Tekenaars trokken nog niet zo gek lang geleden in het voorjaar de weilanden in om tekeningen van jonge kalfjes te maken. Zo kreeg elke koe haar eigen pasfoto.
Dat registratiesysteem bleek fraudegevoelig want er kon vrij simpel mee geknoeid worden. Papier is geduldig en zo kon een laagproductief kalfje probleemloos worden gepromoveerd tot een hoogproductieve koe. Met de gele nummerborden is dat een stuk lastiger. Maar het kan wel, want intussen blijkt het systeem van de nummerborden in de oren van de koeien ook behoorlijk fraudegevoelig te zijn. Het zijn overigens niet de koeien die frauderen. Daarom zitten die gele nummerborden in de verkeerde oren.
Wanneer een koe eenmaal klaar is om melk te gaan leveren, krijgt ze een halsketting. Daaraan hangt een apparaatje dat precies registreert hoeveel de koe wanneer wat gegeten heeft. Van tijd tot tijd krijgt een koe trek en wandelt op haar gemak naar de etensbakken in de stal. Die bakken staan in verbinding met de centrale voercomputer. Via de gegevens in de halsketting van de koe gaat de computer eerst na wanneer de koe voor het laatst gegeten heeft, en hoeveel. Vervolgens rekent de computer, en niet het oergevoel in de maag van de koe, uit of het tijd is om te eten of niet. De formule die de computer gebruikt is simpel: wat moet er aan voer in de koe worden gestopt om er tegen zo weinig mogelijk kosten zo veel mogelijk melk uit te krijgen.
Zo is van de koe een machine gemaakt die melk produceert.
Er staan ’s zomers nog koeien in de wei. Maar ze dreigen uit het landschap te verdwijnen omdat het voor een boer nu eenmaal veel makkelijker en voordeliger is om zijn koeien op stal te houden. Een koe die in de wei loopt, kost immers scheppen geld want ze vreet voor zes. Met haar tong maait ze een portie gras naar binnen, en met haar poten vertrapt ze tegelijk vier andere porties. Om de zoveel tijd piest en poept ze en maakt zo het gras op die plek voor andere koeien ongeschikt voor consumptie.
Al dat gewandel door de wei kost bovendien energie, maar daarvoor laat een boer zijn koe niet eten. Ze wordt geacht al haar energie te gebruiken om melk te produceren. Dus is het voordeliger de koe op stal te laten staan en de boer te laten grazen. Hij maait het gras en brengt het vervolgens bij de koeien die in grote stallen staan. Of liggen, want dat is het voordeligst. Zo verdwijnen de koeien langzaam maar zeker uit het Nederlandse landschap en slijten ze het grootste deel van hun productieve leven in stallen waar ze zich stierlijk vervelen.
Dat er zomers nog koeien in de wei staan, is vooral bedoeld om reclame voor de agrosector te maken. Het groene, gezonde imago van die bedrijfstak heeft de afgelopen jaren een paar fikse deuken opgelopen. Dat begon in de jaren tachtig van de vorige eeuw met de Westlandse tuinders die van de Duitse consument op hun brood kregen dat ze geen tomaten, maar 'wasserbomben' produceerden. Geen smakelijke liefdesappels, zoals de tomaat vroeger werd genoemd, maar snottebellen in een rood velletje.
Daarna brak de rel rond de gekke koeienziekte los. Een uitbraak van varkenspest niet lang daarna deed de rest. De gruwelijke beelden van varkenslijken die met een grijper in grote vrachtwagens werden geladen alsof het om balen hooi ging, zorgden er voor dat de Nederlandse consument zich voor het eerst ging afvragen waar ze op het platteland nou in hemelsnaam mee bezig waren.
Maar het geheugen van de consument is kort, en eenmaal in de supermarkt blijkt zijn denkvermogen vooral in de portemonnee te zitten. De vleesconsumptie is binnen een paar maanden na zo’n calamiteit weer snel op het oude niveau. Een schandaal met de Belgische dioxinekippen en varkens die vol zitten met kankerverwekkende stoffen zorgde voor niet veel meer dan een lichte rimpeling en tijdelijke verschuiving in het eetgedrag.
In veevoer wordt rioolslib, bedrijfsafval en slachtafval verwerkt. Rioolslib is de viezigheid die in de zuiveringsinstallaties uit het rioolwater wordt gehaald voordat dat water weer de sloten in mag. Bedrijfsafval is de verzamelnaam voor de restanten van bijvoorbeeld restaurants, ziekenhuizen of kantines van grote bedrijven. Slachtafval is niet alleen alles wat een slager niet meer kan verkopen. Ook de kadavers van de op de boerderij gestorven dieren die de boeren langs de kant van de weg leggen, horen er toe. De consument ligt er allang niet meer wakker van dat hij delen van deze weerzinwekkende cocktail in de vorm van een biefstuk of karbonade op zijn bord terugvindt.
De affaires van de afgelopen jaren hebben echter wel één ding duidelijk gemaakt. Terwijl de consument zich gulzig te goed had gedaan aan weer een goedkope karbonade, vormde de landbouw zich om van een natuurlijke agrarische activiteit tot een kunstmatige industriële tak van economische bedrijvigheid. Dieren werden gedegradeerd tot machines die moeten gehoorzamen aan de ijzeren wetten van de industriële productie. Als een machine eenmaal aan staat, moet die als het even kan vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week en tweeënvijftig weken per jaar produceren.
Dat industriële beeld van de landbouw moest volgens de voormannen uit de sector zo snel mogelijk weg van het netvlies van de consument. En daarom stuurden veel boeren hun koeien weer naar buiten. Het is overigens meestal jongvee dat nog geen melk geeft en ze staan op een stukje land waar de boer net gemaaid heeft. Of op een stukje land waar hij van plan is binnenkort nieuw gras in te zaaien. Zijn ze 's zomers buiten, maar kunnen ze niets vernielen.
Toch zijn de koeien in de wei, voor wie goed kijkt, geen reclame voor de landbouw. Een normale koe heeft op haar kop twee horens, maar in de veeteelt zijn ze weggehaald. Dat vindt de boer nodig omdat de ruimte per koe in de stallen vergeleken met het weiland niet erg groot is. Veel levende wezens in een kleine ruimte leiden tot irritatie en dan wil er onderling nog wel eens een tik worden uitgedeeld. Maar als de horens van een kop zijn gehaald, blijft de schade beperkt tot een onschuldig kopstootje. Bovendien kunnen die horens behoorlijk in de weg zitten als een koe in de stal zijn kop door het hekwerk waarachter het voer ligt, moet steken.
In plaats van horens op hun kop hebben de koeien nu gele nummerborden in hun oren geslagen kregen. Die nummerborden voor koeien zijn nodig omdat er met koeien gefraudeerd kan worden. Veel boeren zijn overigens tegen die nummerplaten, maar ze moeten wel. Zonder gele nummerplaat is een kalf of koe onverkoopbaar. Het kalf voelt, naar zeggen van de uitvinders van het systeem, niets van die nummerplaten. Het is een soort piercing, maar wel met dit verschil dat het kalf er niet om heeft gevraagd.
Een melkveehouder is altijd op zoek naar mogelijkheden om de productiviteit van zijn veestapel te verhogen. Daarom koopt hij af en toe nieuwe koeien ter vervanging van koeien die zijn uitgemolken. De hoogte van de prijs van een koe wordt bepaald door haar melkproductie, maar hoe hoog die zal zijn, moet nog maar worden afgewacht. Daarom kijkt een boer als hij een koe koopt niet zozeer naar de koe, maar logischerwijs naar haar ouders. Als de moederkoe een hoge productie had, en de stier ook hoogproductieve nakomelingen, is de kans groot dat hun nageslacht eveneens hoogproductief is.
Die burgerlijke standgegevens staan nu op de gele nummerborden in de koeien-oren. Vroeger had de koe een paspoort dat door de boer in huis werd bewaard. In dat boekje stonden alle gegevens van het voorgeslacht van de koe, inclusief een soort pasfoto van het dier. Elke koe heeft een voor haar specifieke tekening van zwarte en witte vlekken op de vacht. Tekenaars trokken nog niet zo gek lang geleden in het voorjaar de weilanden in om tekeningen van jonge kalfjes te maken. Zo kreeg elke koe haar eigen pasfoto.
Dat registratiesysteem bleek fraudegevoelig want er kon vrij simpel mee geknoeid worden. Papier is geduldig en zo kon een laagproductief kalfje probleemloos worden gepromoveerd tot een hoogproductieve koe. Met de gele nummerborden is dat een stuk lastiger. Maar het kan wel, want intussen blijkt het systeem van de nummerborden in de oren van de koeien ook behoorlijk fraudegevoelig te zijn. Het zijn overigens niet de koeien die frauderen. Daarom zitten die gele nummerborden in de verkeerde oren.
Wanneer een koe eenmaal klaar is om melk te gaan leveren, krijgt ze een halsketting. Daaraan hangt een apparaatje dat precies registreert hoeveel de koe wanneer wat gegeten heeft. Van tijd tot tijd krijgt een koe trek en wandelt op haar gemak naar de etensbakken in de stal. Die bakken staan in verbinding met de centrale voercomputer. Via de gegevens in de halsketting van de koe gaat de computer eerst na wanneer de koe voor het laatst gegeten heeft, en hoeveel. Vervolgens rekent de computer, en niet het oergevoel in de maag van de koe, uit of het tijd is om te eten of niet. De formule die de computer gebruikt is simpel: wat moet er aan voer in de koe worden gestopt om er tegen zo weinig mogelijk kosten zo veel mogelijk melk uit te krijgen.
Zo is van de koe een machine gemaakt die melk produceert.
EHEC besmetting voorkomen
In Duitsland is veel ophef over een uitbraak van de gevaarlijke variant EHEC van de E.coli-bacterie. In Duitsland zijn zeker 300 mensen hiervan ziek geworden na besmetting. Zo’n 140 mensen hebben ernstige gezondheidsklachten, ook zijn zeker 10 mensen overleden aan de infectie.
Komkommers uit Spanje zijn sterk verdacht de oorzaak te zijn van de besmetting.
Voor groente die in Nederland te koop is, heeft de Nederlandse regering geen waarschuwing uitgegeven. Wanneer je wilt weten waar je groente vandaan komt, kun je op het kratje, verpakking of bordje bij de onbewerkte groente kijken. Hier staat het land van oorsprong vermeld.
De E.coli-bacterie van het type EHEC kan zitten in besmette groente, maar ook het eten van rauw vlees of rauwe melk kan ziekte veroorzaken. De klachten bestaan uit buikkrampen, braken en bloederige diarree. De bacterie is met name gevaarlijk voor mensen met een slechte weerstand, ouderen, baby’s en zwangere vrouwen.
Meer informatie
Escherichia coli of E. coli is een groep bacteriën die van nature aanwezig is in de darmen van mensen en dieren. Er zijn enkele typen die ziekte kunnen veroorzaken. Ziekte door deze bacterie wordt wel de “hamburgerziekte” genoemd. Oorzaken zijn onhygiënische productie-omstandigheden en producten van dierlijke herkomst, met name van rauw rundvlees.
De risico’s van E. coli kunnen worden beperkt door vlees goed gaar te maken. Ook het zorgvuldig en hygiënisch bereiden van rauw vlees voorkomt besmetting. Dit is vooral belangrijk voor jonge kinderen, ouderen, zwangere vrouwen en mensen met weinig weerstand. Zij moeten zeker geen producten van rauw vlees eten.
E.coli kan voedselinfecties veroorzaken. Het is niet duidelijk of de bacterie zelf of de giftige stof die de bacterie produceert de infectie veroorzaakt. In de dikke darm is E.coli nuttig, omdat hij uitgroei van andere schadelijke bacteriën voorkomt.
De bacterie overleeft maanden in de bodem en weken in water. De E.coli vermenigvuldigt zich tussen de 10 en 40 °C. E.coli wordt onschadelijk bij 65 °C.
E.coli is genoemd naar Dr. Theodor Escherich, die de darmbacterie in 1885 ontdekte.
Producten die met E.coli besmet kunnen zijn, zijn:
gehakt, hamburger, filet americain
rauw of niet gaar rundvlees
rauwe melk
rauwmelkse kaas
rauwe groenten zoals sla
ongepasteuriseerd vruchtensap
Maaltijden in restaurants en op cruiseschepen zijn door onzorgvuldige hygiëne ook vaak de oorzaak van E.coli-besmettingen. Ook contacten met runderen, besmette mensen en zwemmen in besmet oppervlaktewater kunnen E.coli-besmettingen veroorzaken. Volgens de Warenwet mag E.coli niet in natuurlijk mineraalwater voorkomen.
In de zomer is de kans op een E.coli-besmetting het grootst. Mogelijke verklaring is dat er vaker wordt gebarbecued en gezwommen. Ongeveer 30% van de reizigers naar subtropische gebieden krijgt reizigersdiarree, waarschijnlijk door besmetting met E.coli.
Er bestaan verschillende soorten E.coli bacteriën, zoals EHEC en ETEC. Deze soorten met de gifstof verototoxine veroorzaken de meeste ziektegevallen.
Type E.coli Ziekte
EPEC Kinderdiarree; (reizigers)diarree
ETEC (reizigers)diarree; overgeven; koorts
VTEC Ontlasting met bloed en slijm
EHEC (subgroep van VTEC) Bloederige diarree; mogelijke nierschade als complicatie
STEC O157 (EHEC-soort) Bloederige diarree; mogelijke nierschade als complicatie
EIEC Ontlasting met bloed en slijm
EaggEC Aanhoudende diarree bij kinderen
DAEC Kinderdiarree
Gezondheidsrisico's
Mensen worden vooral ziek van E.coli door het eten van rundvlees dat niet goed gaar is. Klachten zijn darmontsteking met bloederige diarree. Bij kinderen tot 5 jaar en ouderen kan ernstige nierschade voorkomen, die soms dodelijk is. Deze ziekte wordt ook de Hamburgerziekte of Hemolytisch Uremisch Syndroom (HUS) genoemd.
De eerste klachten treden meestal binnen 3 tot 4 dagen op na de besmetting. De incubatieperiode, dat is de periode tussen besmetting en de eerste ziekteverschijnselen, is 1 tot 12 dagen.
Een lichte besmetting kan alleen wat geringe diarree tot gevolg hebben. Een voedselinfectie uit zich meestal door plotseling optredende heftige buikkrampen, soms in combinatie met braken. Na ongeveer 24 uur ontstaat waterige diarree die zich na één tot twee dagen tot een bloederige diarree ontwikkelt. De klachten duren 2 tot 9 dagen (gemiddeld vier dagen) en gaan over het algemeen vanzelf over.
Bij 2 tot 7% van de geïnfecteerde mensen tast de gifstof verototoxine in E.coli de doorbloeding van de nier aan. Bij 5 tot 10% van de gevallen ontstaat blijvende schade aan de nieren. Gedurende de ziekte zijn E.coli-patiënten besmettelijk via de ontlasting. Dit kan ongeveer 2 maanden duren.
Besmetting is te voorkomen met deze adviezen:
was je handen voor het koken
was je handen nadat je rauw vlees hebt aangeraakt
was keukengerei direct na gebruik met heet water en afwasmiddel
prik niet met hetzelfde bestek in rauw vlees en daarna in gaar eten
gebruik nooit dezelfde ondergrond voor rauw vlees en daarna voor gaar eten
bak vlees door en door gaar
proef niet van rauw gehakt en raak rauw vlees zo min mogelijk aan met de handen
drink geen rauwe melk
was rauwe groenten grondig
was je handen zorgvuldig na contact met dieren op de boerderij. Vooral jonge dieren kunnen besmet zijn met E.coli.
Voor jonge kinderen en ouderen is het extra belangrijk de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen voor een optimale hygiëne om besmetting met E.coli tot een minimum te beperken.
Komkommers uit Spanje zijn sterk verdacht de oorzaak te zijn van de besmetting.
Voor groente die in Nederland te koop is, heeft de Nederlandse regering geen waarschuwing uitgegeven. Wanneer je wilt weten waar je groente vandaan komt, kun je op het kratje, verpakking of bordje bij de onbewerkte groente kijken. Hier staat het land van oorsprong vermeld.
De E.coli-bacterie van het type EHEC kan zitten in besmette groente, maar ook het eten van rauw vlees of rauwe melk kan ziekte veroorzaken. De klachten bestaan uit buikkrampen, braken en bloederige diarree. De bacterie is met name gevaarlijk voor mensen met een slechte weerstand, ouderen, baby’s en zwangere vrouwen.
Besmetting voorkomen
Er lijkt vooralsnog geen reden om bepaalde groente te mijden in Nederland. Om besmetting met een E.coli-bacterie van het type EHEC te voorkomen gelden de standaard hygiëneregels:- Rauwe groente, zoals komkommers, grondig wassen onder stromend water of schillen.
- Geen rauw vlees of rauwe melk te eten.
- Vlees goed gaar bakken.
- Je handen wassen voor je gaat koken.
- Voorkomen van kruisbesmetting.
Meer informatie
Escherichia coli of E. coli is een groep bacteriën die van nature aanwezig is in de darmen van mensen en dieren. Er zijn enkele typen die ziekte kunnen veroorzaken. Ziekte door deze bacterie wordt wel de “hamburgerziekte” genoemd. Oorzaken zijn onhygiënische productie-omstandigheden en producten van dierlijke herkomst, met name van rauw rundvlees.
De risico’s van E. coli kunnen worden beperkt door vlees goed gaar te maken. Ook het zorgvuldig en hygiënisch bereiden van rauw vlees voorkomt besmetting. Dit is vooral belangrijk voor jonge kinderen, ouderen, zwangere vrouwen en mensen met weinig weerstand. Zij moeten zeker geen producten van rauw vlees eten.
E.coli kan voedselinfecties veroorzaken. Het is niet duidelijk of de bacterie zelf of de giftige stof die de bacterie produceert de infectie veroorzaakt. In de dikke darm is E.coli nuttig, omdat hij uitgroei van andere schadelijke bacteriën voorkomt.
De bacterie overleeft maanden in de bodem en weken in water. De E.coli vermenigvuldigt zich tussen de 10 en 40 °C. E.coli wordt onschadelijk bij 65 °C.
E.coli is genoemd naar Dr. Theodor Escherich, die de darmbacterie in 1885 ontdekte.
Producten die met E.coli besmet kunnen zijn, zijn:
gehakt, hamburger, filet americain
rauw of niet gaar rundvlees
rauwe melk
rauwmelkse kaas
rauwe groenten zoals sla
ongepasteuriseerd vruchtensap
Maaltijden in restaurants en op cruiseschepen zijn door onzorgvuldige hygiëne ook vaak de oorzaak van E.coli-besmettingen. Ook contacten met runderen, besmette mensen en zwemmen in besmet oppervlaktewater kunnen E.coli-besmettingen veroorzaken. Volgens de Warenwet mag E.coli niet in natuurlijk mineraalwater voorkomen.
In de zomer is de kans op een E.coli-besmetting het grootst. Mogelijke verklaring is dat er vaker wordt gebarbecued en gezwommen. Ongeveer 30% van de reizigers naar subtropische gebieden krijgt reizigersdiarree, waarschijnlijk door besmetting met E.coli.
Er bestaan verschillende soorten E.coli bacteriën, zoals EHEC en ETEC. Deze soorten met de gifstof verototoxine veroorzaken de meeste ziektegevallen.
Type E.coli Ziekte
EPEC Kinderdiarree; (reizigers)diarree
ETEC (reizigers)diarree; overgeven; koorts
VTEC Ontlasting met bloed en slijm
EHEC (subgroep van VTEC) Bloederige diarree; mogelijke nierschade als complicatie
STEC O157 (EHEC-soort) Bloederige diarree; mogelijke nierschade als complicatie
EIEC Ontlasting met bloed en slijm
EaggEC Aanhoudende diarree bij kinderen
DAEC Kinderdiarree
Gezondheidsrisico's
Mensen worden vooral ziek van E.coli door het eten van rundvlees dat niet goed gaar is. Klachten zijn darmontsteking met bloederige diarree. Bij kinderen tot 5 jaar en ouderen kan ernstige nierschade voorkomen, die soms dodelijk is. Deze ziekte wordt ook de Hamburgerziekte of Hemolytisch Uremisch Syndroom (HUS) genoemd.
De eerste klachten treden meestal binnen 3 tot 4 dagen op na de besmetting. De incubatieperiode, dat is de periode tussen besmetting en de eerste ziekteverschijnselen, is 1 tot 12 dagen.
Een lichte besmetting kan alleen wat geringe diarree tot gevolg hebben. Een voedselinfectie uit zich meestal door plotseling optredende heftige buikkrampen, soms in combinatie met braken. Na ongeveer 24 uur ontstaat waterige diarree die zich na één tot twee dagen tot een bloederige diarree ontwikkelt. De klachten duren 2 tot 9 dagen (gemiddeld vier dagen) en gaan over het algemeen vanzelf over.
Bij 2 tot 7% van de geïnfecteerde mensen tast de gifstof verototoxine in E.coli de doorbloeding van de nier aan. Bij 5 tot 10% van de gevallen ontstaat blijvende schade aan de nieren. Gedurende de ziekte zijn E.coli-patiënten besmettelijk via de ontlasting. Dit kan ongeveer 2 maanden duren.
Besmetting is te voorkomen met deze adviezen:
was je handen voor het koken
was je handen nadat je rauw vlees hebt aangeraakt
was keukengerei direct na gebruik met heet water en afwasmiddel
prik niet met hetzelfde bestek in rauw vlees en daarna in gaar eten
gebruik nooit dezelfde ondergrond voor rauw vlees en daarna voor gaar eten
bak vlees door en door gaar
proef niet van rauw gehakt en raak rauw vlees zo min mogelijk aan met de handen
drink geen rauwe melk
was rauwe groenten grondig
was je handen zorgvuldig na contact met dieren op de boerderij. Vooral jonge dieren kunnen besmet zijn met E.coli.
Voor jonge kinderen en ouderen is het extra belangrijk de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen voor een optimale hygiëne om besmetting met E.coli tot een minimum te beperken.
zaterdag 28 mei 2011
Blue Band Goede Start! Witbrood
Blue Band Goede Start! Witbrood
Blue Band Goede Start! Witbrood misleidt consumenten met een onterechte gezondheidsclaim: 'het lekkerste wit waar volkoren in zit'. Maar er zit helemaal geen volkoren in! Dit witbrood bevat nauwelijks de gezonde voedingsvezels en micronutriënten die van nature in volkorenmeel zitten. Unilever heeft de natuurlijke vezels vervangen door kunstmatige toevoegingen die niet hetzelfde gezondheidseffect hebben op uw hart en darmen. Daar komt nog bij dat de multinational en zijn collega's stellen dat u dagelijks slechts 25 gram vezels nodig heeft, terwijl de Gezondheidsraad 30-40 gram adviseert: dubbele misleiding dus! Extra kwalijk, omdat 90 procent van de Nederlanders te weinig vezels binnenkrijgt. Bovendien richt het concern zich expliciet op kinderen, die zo 'leren' dat witbrood heus wel gezond is. Maar Blue Band Goede Start! Witbrood is absoluut geen goed alternatief voor echt volkorenbrood.
Blue Band Goede Start! Witbrood misleidt consumenten met een onterechte gezondheidsclaim: 'het lekkerste wit waar volkoren in zit'. Maar er zit helemaal geen volkoren in! Dit witbrood bevat nauwelijks de gezonde voedingsvezels en micronutriënten die van nature in volkorenmeel zitten. Unilever heeft de natuurlijke vezels vervangen door kunstmatige toevoegingen die niet hetzelfde gezondheidseffect hebben op uw hart en darmen. Daar komt nog bij dat de multinational en zijn collega's stellen dat u dagelijks slechts 25 gram vezels nodig heeft, terwijl de Gezondheidsraad 30-40 gram adviseert: dubbele misleiding dus! Extra kwalijk, omdat 90 procent van de Nederlanders te weinig vezels binnenkrijgt. Bovendien richt het concern zich expliciet op kinderen, die zo 'leren' dat witbrood heus wel gezond is. Maar Blue Band Goede Start! Witbrood is absoluut geen goed alternatief voor echt volkorenbrood.
Resistente bacteriën gevonden op biologische kip
Resistente bacteriën gevonden op biologische kip
Ook op biologische kip zijn resistente bacteriën gevonden, terwijl biologische kippen geen antibiotica krijgen. De Tweede Kamer is bezorgd, want als mensen de stoffen binnenkrijgen, kan het zijn dat ze bij ernstige ziekte moeilijker te genezen zijn, omdat antibiotica niet meer aanslaan.
Minister Edith Schippers van Volksgezondheid had er donderdag nog geen pasklare verklaring voor. Ze hoopt dat het rapport van de Gezondheidsraad naar de gevolgen van het antibioticagebruik in de veehouderij duidelijkheid geeft. Dat rapport verschijnt deze zomer en kan volgens de minister aanleiding zijn om het huidige beleid aan te scherpen.
PvdA en Partij voor de Dieren willen sowieso meer vaart maken, want er wordt al jaren gewaarschuwd en de Nederlandse veehouderij staat te boek als grootverbruiker van antibiotica.
Kadija Arib (PvdA) wil een parlementaire enquête om te achterhalen waarom niets is gebeurd met de waarschuwingen. 'Mensen kunnen nu doodgaan omdat 30.000 kuikens antibiotica krijgen als er in de stal zes ziek zijn. En niet alleen op het vlees ook op groenten zit de resistente ESBL-bacterie.'
Linda Voortman (GroenLinks) vindt dat de prijs hiervoor wordt betaald in de zorg, want mensen kunnen hierdoor weer sterven aan longontsteking of kraamvrouwenkoorts. Ook de PVV is bezorgd over de gevolgen voor de volksgezondheid en denkt na over steun aan het voorstel van Arib.
Goed verhitten
Al veel eerder werd bekend dat het eten van kip ertoe kan leiden dat mensen resistent worden voor antibiotica. Recent onderzoek levert extra bewijs voor het verband tussen het eten van kippenvlees met ESBL-bacteriën en antibioticaresistente ESBL-bacteriën bij mensen. Het RIVM wijst op het feit dat overmatig antibioticagebruik in de veehouderij risico’s met zich meebrengt. Mensen kunnen kip en eieren veilig eten, mits zij het vlees goed verhitten en hygiënisch bereiden.
Oorzaak
De oorzaak van deze besmetting is te zoeken in het systeem van het uit broeden van de kippen. Alle kippen komen uiteindelijk uit een broedmachine en daarna wordt pas bepaald wat het voor een kip wordt, biologisch of vrije uitloop of hokkip. De besmetting zit dus al in het ei en dat kun je alleen oplossen door de stroom van eieren en kuikens ook biologisch te maken. En nu opzoek naar een kip die nog niet besmet is...............!!!!!!!!
Ook op biologische kip zijn resistente bacteriën gevonden, terwijl biologische kippen geen antibiotica krijgen. De Tweede Kamer is bezorgd, want als mensen de stoffen binnenkrijgen, kan het zijn dat ze bij ernstige ziekte moeilijker te genezen zijn, omdat antibiotica niet meer aanslaan.
Minister Edith Schippers van Volksgezondheid had er donderdag nog geen pasklare verklaring voor. Ze hoopt dat het rapport van de Gezondheidsraad naar de gevolgen van het antibioticagebruik in de veehouderij duidelijkheid geeft. Dat rapport verschijnt deze zomer en kan volgens de minister aanleiding zijn om het huidige beleid aan te scherpen.
PvdA en Partij voor de Dieren willen sowieso meer vaart maken, want er wordt al jaren gewaarschuwd en de Nederlandse veehouderij staat te boek als grootverbruiker van antibiotica.
Kadija Arib (PvdA) wil een parlementaire enquête om te achterhalen waarom niets is gebeurd met de waarschuwingen. 'Mensen kunnen nu doodgaan omdat 30.000 kuikens antibiotica krijgen als er in de stal zes ziek zijn. En niet alleen op het vlees ook op groenten zit de resistente ESBL-bacterie.'
Linda Voortman (GroenLinks) vindt dat de prijs hiervoor wordt betaald in de zorg, want mensen kunnen hierdoor weer sterven aan longontsteking of kraamvrouwenkoorts. Ook de PVV is bezorgd over de gevolgen voor de volksgezondheid en denkt na over steun aan het voorstel van Arib.
Goed verhitten
Al veel eerder werd bekend dat het eten van kip ertoe kan leiden dat mensen resistent worden voor antibiotica. Recent onderzoek levert extra bewijs voor het verband tussen het eten van kippenvlees met ESBL-bacteriën en antibioticaresistente ESBL-bacteriën bij mensen. Het RIVM wijst op het feit dat overmatig antibioticagebruik in de veehouderij risico’s met zich meebrengt. Mensen kunnen kip en eieren veilig eten, mits zij het vlees goed verhitten en hygiënisch bereiden.
Oorzaak
De oorzaak van deze besmetting is te zoeken in het systeem van het uit broeden van de kippen. Alle kippen komen uiteindelijk uit een broedmachine en daarna wordt pas bepaald wat het voor een kip wordt, biologisch of vrije uitloop of hokkip. De besmetting zit dus al in het ei en dat kun je alleen oplossen door de stroom van eieren en kuikens ook biologisch te maken. En nu opzoek naar een kip die nog niet besmet is...............!!!!!!!!
donderdag 19 mei 2011
ESBL-bacterie
Na de BSE en de Q-koorts duikt opnieuw het probleem op van de ESBL-bacterie, een bacterie uit de kippenstal die mensen ongevoelig maakt voor antibiotica.
http://player.omroep.nl/?aflID=12522861&start=00:00:00&end=00:35:08
Sommige groenten blijken ook besmet met ESBL
De ESBL ontstaat doordat de pluimveehouderij buitensporig veel antibiotica gebruikt om de dicht op elkaar levende kippen gezond te houden. De kippen hebben daardoor een resistente bacterie ontwikkeld, die het bestrijden van infecties bij dier en mens moeilijk maakt en soms zelfs onmogelijk.
Omdat kippenmest ook voor bemesting van het land wordt gebruikt, zijn nu sommige groenten, zoals radijs en lente-ui ook besmet met ESBL. Zo blijkt uit onderzoek van het VU-medisch centrum Artsen vertellen in ZEMBLA dat ze zich ernstig zorgen maken over deze resistente super bacterie, omdat ze het aantal patiënten die besmet raken met zo’n bacterie zien groeien. Zeker 6% van de patiënten in ziekenhuizen is besmet met ESBL.
Aanpak ESBL-bacterie te laat
Ook laten artsen Zembla weten dat zij menen dat de ministeries van Landbouw en Volksgezondheid te laat zijn met het aanpakken van ESBL
Prof. J. Degener zegt dat de overheid al jaren op de hoogte is van de gevaren voor de volksgezondheid door buitensporig antibioticagebruik in de veeteelt: ‘Er zijn meerdere rapporten en adviezen gekomen van de Gezondheidsraad. Het stapelt zich op. We worden er langzamerhand moe van.’
Volgens RIVM-directeur R. Coutinho spelen ook hier weer, net als bij de bestrijding van de Q-koorts, economische belangen een rol. Coutinho in ZEMBLA: ‘Er zitten een heleboel partijen bij die allemaal belangen hebben, dus er moet echt iets gebeuren voordat mensen iets gaan doen. Het is een economische factor, het kost gewoon geld, er is concurrentie in de sector.’
Kluytmans vertelt in ZEMBLA dat 88% van het kippenvlees uit Nederlandse supermarkten vol zit met ESBL-bacteriën. Kluytmans: ‘Het zit ook in andere voedingsmiddelen. Onderzoekers hebben het ook in groenten en fruit gevonden.’
Denemarken gebruikt minder antibiotica
Uit onderzoek blijkt dat het ook anders kan. Denemarken heeft ook een intensieve veeteelt, maar gebruikt toch 80 procent minder antibiotica dan Nederland. Groot verschil met Nederland is dat in Denemarken de dierenartsen niet zelf hun medicijnen mogen verkopen en dus geen belang hebben bij die omzet. Daarnaast controleert de Deense overheid veel strenger het medicijngebruik bij dieren.
1 miljoen Nederlanders besmet met ESB
Kluytmans schat dat het aantal mensen dat in Nederland besmet is met ESBL al 1 miljoen is: ‘Heel recent hebben we in ons ziekenhuis in Breda patiënten onderzocht op ESBL. We vonden het bij 6 à 7% van de mensen. Als dit percentage ook in de open bevolking voorkomt, dan praat je over een miljoen mensen die nu al een ESBL hebben.’
http://player.omroep.nl/?aflID=12522861&start=00:00:00&end=00:35:08
Sommige groenten blijken ook besmet met ESBL
De ESBL ontstaat doordat de pluimveehouderij buitensporig veel antibiotica gebruikt om de dicht op elkaar levende kippen gezond te houden. De kippen hebben daardoor een resistente bacterie ontwikkeld, die het bestrijden van infecties bij dier en mens moeilijk maakt en soms zelfs onmogelijk.
Omdat kippenmest ook voor bemesting van het land wordt gebruikt, zijn nu sommige groenten, zoals radijs en lente-ui ook besmet met ESBL. Zo blijkt uit onderzoek van het VU-medisch centrum Artsen vertellen in ZEMBLA dat ze zich ernstig zorgen maken over deze resistente super bacterie, omdat ze het aantal patiënten die besmet raken met zo’n bacterie zien groeien. Zeker 6% van de patiënten in ziekenhuizen is besmet met ESBL.
Aanpak ESBL-bacterie te laat
Ook laten artsen Zembla weten dat zij menen dat de ministeries van Landbouw en Volksgezondheid te laat zijn met het aanpakken van ESBL
Prof. J. Degener zegt dat de overheid al jaren op de hoogte is van de gevaren voor de volksgezondheid door buitensporig antibioticagebruik in de veeteelt: ‘Er zijn meerdere rapporten en adviezen gekomen van de Gezondheidsraad. Het stapelt zich op. We worden er langzamerhand moe van.’
Volgens RIVM-directeur R. Coutinho spelen ook hier weer, net als bij de bestrijding van de Q-koorts, economische belangen een rol. Coutinho in ZEMBLA: ‘Er zitten een heleboel partijen bij die allemaal belangen hebben, dus er moet echt iets gebeuren voordat mensen iets gaan doen. Het is een economische factor, het kost gewoon geld, er is concurrentie in de sector.’
Kluytmans vertelt in ZEMBLA dat 88% van het kippenvlees uit Nederlandse supermarkten vol zit met ESBL-bacteriën. Kluytmans: ‘Het zit ook in andere voedingsmiddelen. Onderzoekers hebben het ook in groenten en fruit gevonden.’
Denemarken gebruikt minder antibiotica
Uit onderzoek blijkt dat het ook anders kan. Denemarken heeft ook een intensieve veeteelt, maar gebruikt toch 80 procent minder antibiotica dan Nederland. Groot verschil met Nederland is dat in Denemarken de dierenartsen niet zelf hun medicijnen mogen verkopen en dus geen belang hebben bij die omzet. Daarnaast controleert de Deense overheid veel strenger het medicijngebruik bij dieren.
1 miljoen Nederlanders besmet met ESB
Kluytmans schat dat het aantal mensen dat in Nederland besmet is met ESBL al 1 miljoen is: ‘Heel recent hebben we in ons ziekenhuis in Breda patiënten onderzocht op ESBL. We vonden het bij 6 à 7% van de mensen. Als dit percentage ook in de open bevolking voorkomt, dan praat je over een miljoen mensen die nu al een ESBL hebben.’
Abonneren op:
Posts (Atom)