Consumenten worden massaal bang gemaakt voor griepvirussen en kanker, stelt epidemioloog Luc Bonneux. De reden is simpel, stelt hij, want de medische industrie, ambtenarij en wetenschappers zoeken aandacht en geld. „Aan gezonde mensen valt niks te verdienen.”(Spits)
Luc Bonneux, arts, epidemioloog en scepticus, zal het vaak herhalen. „Gezondheid op zich valt niet te verkopen. Het grote geld is te verdienen met de zogenaamde preventie van ziekten bij de bange consument”, zegt de onderzoeker.
Bonneux werkt bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (Nidi) in Den Haag. In zijn vrije tijd pluist de Belg (’financieel aan niemand gelieerd’) medische onderzoeken uit, en maakt berekeningen over het gevoerde gezondheidsbeleid in ons land. Dat resulteerde mede in zijn boek ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’, dat vanaf deze week in de boekhandels ligt. De conclusies die hij trekt, zijn opmerkelijk.
De enorme hysterie over de vogel- en Mexicaanse griep is het grootste medische schandaal van de 21e eeuw, vindt hij. „Die werd ontketend door wetenschappers en de farmaceutische industrie. Zij slaagden erin mensen angst aan te jagen en westerse landen voor miljarden dollars aan griepremmers en vaccins te laten kopen.”
Er werden doemscenario’s van mogelijk miljoenen doden voorgeschoteld, zodat de industrie vervolgens massaal griepremmers, zoals Tamiflu, kon afzetten, vat Bonneux samen. „Terwijl er geen bewijs is geleverd voor de werking van griepremmers, behalve dat ze de ziekte met ongeveer een dag te verkorten. Een volstrekt knettergek scenario. Dat wisten de deskundigen ook wel. Misschien wisten ze te weinig over de mogelijke kwalijke bijwerkingen: die informatie werd achtergehouden door de industrie.”
In geval van de Mexicaanse griep ging het slechts om een goedaardige pandemie van snot en spierpijn, zegt hij, die wereldwijd 5 tot 7 miljard dollar heeft gekost.
Maar wat dan met het veelgehoorde argument dat wellicht erger is voorkomen? „Het was al vrij snel duidelijk dat het geen kwaadaardige griep betrof. Je kunt iedere vorm van preventie altijd verdedigen met voorzorg. Geldverspilling leidt echter elders tot tekorten, zoals in de ouderenzorg.”
We hoeven ons in het Westen helemaal niet zo ongerust te maken over uitbraken van epidemieën, betoogt Bonneux. ,,We hebben nog nooit zo lang geleefd en zijn nog nooit zo gezond geweest. Als je hier op straat loopt, zie je toch ook dat de gemiddelde Nederlander blaakt van gezondheid?”
Dus noemt hij ook de bevolkingsonderzoeken naar kanker als de borstkankercreening ‘misleidend’. Volgens de epidemioloog ‘veroorzaakt niets meer kanker dan het opsporen ervan’. „Het is een wet dat bij meer screening er meer (kleine) kankergezwellen worden gevonden, die anders waarschijnlijk weer waren verdwenen, of geen kwaad kunnen. Daardoor krijg je overdiagnose en overbehandeling. Er moeten bijvoorbeeld vijfduizend mammografieën worden gemaakt om één sterfgeval te voorkomen. Die screening levert een hoop geld en werkgelegenheid op.”
„Hetzelfde geldt, hoewel in mindere mate, ook voor baarmoederhalskanker. Dat is zeldzaam en zou alleen onderzocht moeten worden bij risicogroepen, zoals vrouwen met vele wisselende partners. De kans dat je deze kanker krijgt als westerse vrouw in gezinsverband, is uiterst klein. Dan zou een enkel onderzoek, of misschien twee, tijdens je leven volstaan.”
Niet preventief screenen, vindt hij dus, tenzij mensen echt klachten hebben of zich zorgen maken. Dan moeten ze vooral naar de dokter gaan. „Maar bedenk dat doktoren zelf weinig preventieve onderzoeken ondergaan. Zij weten beter.”
Dat mensen de wetenschap inmiddels wantrouwen, vindt hij volstrekt terecht. Maar wie moet de leek dan nog geloven?
Een moeilijke vraag, vindt ook Bonneux. „Zodra er veel geld mee gemoeid is, is het oppassen geblazen. Maar het allerbelangrijkste is dat de politiek gaat optreden.”
Het moet volstrekt helder worden wat de banden zijn van wetenschappers met de medische industrie, bepleit de Belg. „Ambtenaren en professoren, zoals virologen, moeten bovendien aansprakelijk worden gesteld voor gemaakte fouten. Nu kunnen ze alles roepen zonder dat het voor hen gevolgen heeft”, zegt Bonneux. „En alleen volstrekt onafhankelijke deskundigen mogen advies geven over het te voeren regeringsbeleid. Wetenschap is een gevecht om waarheid.”
En ze leefden nog lang en gelukkig.
Inspirerend en bewuster leven! De Bron centrum voor bewustwording in Cuijk heeft als doel om rust en ontspanning te bieden door u kennis te laten maken met de wereld van spiritualiteit en al zijn mogelijkheden.
zondag 19 juni 2011
zaterdag 18 juni 2011
De beste vetten om mee te braden, koken en bakken
Onverzagdigde vetten zijn erg instabiel om mee te koken. Hoe meer onverzadigd het vet, hoe ongeschikter het is om mee te koken, bakken of braden. Onder extreme warmte (tot een bepaalde temperatuur) kunnen de dubbele bindingen in vetzuren snel overgaan tot een gas waardoor vrij radicalen vrijkomen. Vrije radicalen in het lichaam spelen een grote rol bij onder andere:
- Kanker
- Gewrichtsontstekingen
- Immuunziekten, zoals bv. Multiple Sclerosis(MS), Lupus, Scleroderma
- Alzheimer en Parkinson
- AIDS
- Huidrimpels
- Verouderingsproces
Wegens deze reden zijn de veiligste vetten om in te bakken, koken of braden de meest verzadigde vetten. Vergeet niet: Hoe onverzadigder het vet is, hoe minder geschikt het is onder hoge temperaturen.
De beste vetten om mee te bakken
De beste vetten van hoog naar laag onder hoge temperaturen zijn:
1 Tropische oliën(kokosnootolie en palmolie)
2 Boter
3 Enkelvoudig onverzadigde zonnebloemolie
4 Enkelvoudig onverzadigde Saffloerolie (distelolie)
5 varkensvet
6 Notenolie
7 Sesamolie
8 Olijfolie
De slechtste vetten om mee te bakken
1 Lijnzaadolie
2 Hennepolie
3 Normale saffloerolie(distelolie)
4 Groene kool
5 Normale zonnebloemolie
6 Sojabonenolie
7 Maisolie
Het is tevens een goed idee om tijdens het braden uien en knoflook te gebruiken. Uien en knoflook zorgen ervoor dat het afbraakproces binnen de olie geminimaliseerd blijft vanwege hun hoge zwavelgehalte. Zwavel gedraagt zich als antioxidant en vecht daarom de vrije radicalen aan tijdens braden.
Wat koken met water betreft, het is minder schadelijk voor de olie dan bakken. Kokend water haalt een temperatuur van 100 graden Celcius, wat niet hoog genoeg is om echt schade te doen aanrichten. Zelfs niet voor de meest gevoelige oliën, zoals vlasolie of lijnzaadolie. Deze moeten een temperatuur van minstens 160 graden bereiken voordat het echt schadelijk is.
Bakken is ietswat schadelijker dan koken. De temperatuur van de bodem van het voedsel wordt erg heet. Het bruinen van voedsel wordt voornamelijk veroorzaakt door beschadigde oliën, eiwitten of koolhydraten. Daarom is het uitwrijven van boter of tropische oliën in de pan altijd belangrijk. Dit voorkomt afbraak van het voedsel, wat weer wel slecht is.
De binnenkant van het voedsel wordt echter niet veel warmer dan 100 graden Celcius. Dat betekent dus dat de meest gevoelige oliën eventueel gebruikt kunnen worden om te bakken, omdat alleen de olie in de korst van het voedsel beschadigd is.
- Kanker
- Gewrichtsontstekingen
- Immuunziekten, zoals bv. Multiple Sclerosis(MS), Lupus, Scleroderma
- Alzheimer en Parkinson
- AIDS
- Huidrimpels
- Verouderingsproces
Wegens deze reden zijn de veiligste vetten om in te bakken, koken of braden de meest verzadigde vetten. Vergeet niet: Hoe onverzadigder het vet is, hoe minder geschikt het is onder hoge temperaturen.
De beste vetten om mee te bakken
De beste vetten van hoog naar laag onder hoge temperaturen zijn:
1 Tropische oliën(kokosnootolie en palmolie)
2 Boter
3 Enkelvoudig onverzadigde zonnebloemolie
4 Enkelvoudig onverzadigde Saffloerolie (distelolie)
5 varkensvet
6 Notenolie
7 Sesamolie
8 Olijfolie
De slechtste vetten om mee te bakken
1 Lijnzaadolie
2 Hennepolie
3 Normale saffloerolie(distelolie)
4 Groene kool
5 Normale zonnebloemolie
6 Sojabonenolie
7 Maisolie
Het is tevens een goed idee om tijdens het braden uien en knoflook te gebruiken. Uien en knoflook zorgen ervoor dat het afbraakproces binnen de olie geminimaliseerd blijft vanwege hun hoge zwavelgehalte. Zwavel gedraagt zich als antioxidant en vecht daarom de vrije radicalen aan tijdens braden.
Wat koken met water betreft, het is minder schadelijk voor de olie dan bakken. Kokend water haalt een temperatuur van 100 graden Celcius, wat niet hoog genoeg is om echt schade te doen aanrichten. Zelfs niet voor de meest gevoelige oliën, zoals vlasolie of lijnzaadolie. Deze moeten een temperatuur van minstens 160 graden bereiken voordat het echt schadelijk is.
Bakken is ietswat schadelijker dan koken. De temperatuur van de bodem van het voedsel wordt erg heet. Het bruinen van voedsel wordt voornamelijk veroorzaakt door beschadigde oliën, eiwitten of koolhydraten. Daarom is het uitwrijven van boter of tropische oliën in de pan altijd belangrijk. Dit voorkomt afbraak van het voedsel, wat weer wel slecht is.
De binnenkant van het voedsel wordt echter niet veel warmer dan 100 graden Celcius. Dat betekent dus dat de meest gevoelige oliën eventueel gebruikt kunnen worden om te bakken, omdat alleen de olie in de korst van het voedsel beschadigd is.
Soja en palmolie
De teelt van soja en palmolie in tropische gebieden breidt snel uit. Daardoor ontstaan vaak milieuproblemen en sociale problemen. Een deel van de palmolie- en sojaproductie belandt in consumentenproducten. Wilt u een duurzame keuze maken in de winkel, let dan op keurmerken.
Van alle (deels genetisch gemodificeerde) soja die Nederland importeert, is het merendeel bestemd als veevoer. Deze belandt dus via onze vlees- en zuivelindustrie indirect in de winkel. Palmolie zit verwerkt in veel voedingsmiddelen, cosmetica en schoonmaakproducten. Op het etiket staat palmolie vermeld als 'plantaardige oliën en vetten'.
Duurzamer kiezen door keurmerken
Aan keurmerken kunt u herkennen welke producten duurzaam geproduceerde soja of palmolie bevatten. Het verwarrende is wel dat in sommige producten zonder keurmerk toch duurzaam geteelde palmolie of soja zit.
Soja
Biologisch geteelde soja (met Demeter of EKO-keurmerk) is duurzaam geproduceerd en niet genetisch gemodificeerd. Producten met biologisch geteelde soja zijn verkrijgbaar in natuurvoedingswinkels en supermarkten. (Meer over Demeter en EKO op Keurmerk landbouw.)
Het keurmerk Fairtrade garandeert voldoende inkomen voor de boer en stelt ook milieu-eisen. U herkent Fairtradeproducten aan het logo op de verpakking. (Meer over Fairtrade op Keurmerk tropische producten.)
Sommige fabrikanten gebruiken duurzaam geteelde soja met andere keurmerken zoals Pro Terra en het Braziliaanse EcoSocial keurmerk, maar deze staan niet op de verpakking. Deze keurmerken geven aan dat er milieu-eisen zijn gesteld aan de teelt en dat de soja niet genetisch gemodificeerd is.
Soja met het GMO-vrij certificaat is gangbaar geteeld, maar niet genetisch gemodificeerd. Ook dit staat vaak niet op de verpakking. Sommige fabrikanten geven wel informatie via hun website.
Gemiddeld 4 procent van de soja die in Nederland verwerkt wordt, is tegenwoordig voorzien van een duurzaamheidscertificaat.
Palmolie
Natuurvoedingswinkels verkopen levensmiddelen en schoonmaakproducten waarin biologische palmolie is verwerkt. Producten waarin door de RSPO (Roundtable on Sustainable Palm Oil) gecertificeerde palmolie is verwerkt zijn ook te koop in Nederland, maar u kunt ze moeilijk herkennen: fabrikanten mogen het RSPO-logo nog niet op de verpakking vermelden. Zij kunnen dat wel vanaf begin 2011.
De RSPO hanteert verschillende systemen voor certificering. Soms kopen fabrikanten certificaten voor een bepaalde hoeveelheid palmolie die duurzaam geproduceerd wordt. Dat is dan niet per se dezelfde olie als die in de producten terechtkomt.
Van alle (deels genetisch gemodificeerde) soja die Nederland importeert, is het merendeel bestemd als veevoer. Deze belandt dus via onze vlees- en zuivelindustrie indirect in de winkel. Palmolie zit verwerkt in veel voedingsmiddelen, cosmetica en schoonmaakproducten. Op het etiket staat palmolie vermeld als 'plantaardige oliën en vetten'.
Duurzamer kiezen door keurmerken
Aan keurmerken kunt u herkennen welke producten duurzaam geproduceerde soja of palmolie bevatten. Het verwarrende is wel dat in sommige producten zonder keurmerk toch duurzaam geteelde palmolie of soja zit.
Soja
Biologisch geteelde soja (met Demeter of EKO-keurmerk) is duurzaam geproduceerd en niet genetisch gemodificeerd. Producten met biologisch geteelde soja zijn verkrijgbaar in natuurvoedingswinkels en supermarkten. (Meer over Demeter en EKO op Keurmerk landbouw.)
Het keurmerk Fairtrade garandeert voldoende inkomen voor de boer en stelt ook milieu-eisen. U herkent Fairtradeproducten aan het logo op de verpakking. (Meer over Fairtrade op Keurmerk tropische producten.)
Sommige fabrikanten gebruiken duurzaam geteelde soja met andere keurmerken zoals Pro Terra en het Braziliaanse EcoSocial keurmerk, maar deze staan niet op de verpakking. Deze keurmerken geven aan dat er milieu-eisen zijn gesteld aan de teelt en dat de soja niet genetisch gemodificeerd is.
Soja met het GMO-vrij certificaat is gangbaar geteeld, maar niet genetisch gemodificeerd. Ook dit staat vaak niet op de verpakking. Sommige fabrikanten geven wel informatie via hun website.
Gemiddeld 4 procent van de soja die in Nederland verwerkt wordt, is tegenwoordig voorzien van een duurzaamheidscertificaat.
Palmolie
Natuurvoedingswinkels verkopen levensmiddelen en schoonmaakproducten waarin biologische palmolie is verwerkt. Producten waarin door de RSPO (Roundtable on Sustainable Palm Oil) gecertificeerde palmolie is verwerkt zijn ook te koop in Nederland, maar u kunt ze moeilijk herkennen: fabrikanten mogen het RSPO-logo nog niet op de verpakking vermelden. Zij kunnen dat wel vanaf begin 2011.
De RSPO hanteert verschillende systemen voor certificering. Soms kopen fabrikanten certificaten voor een bepaalde hoeveelheid palmolie die duurzaam geproduceerd wordt. Dat is dan niet per se dezelfde olie als die in de producten terechtkomt.
Toekomst
Het aantal boeren nam de afgelopen twee decennia gestaag met een procentje of twee per jaar af. Dat percentage is de laatste vijf jaar omhoog gegaan. Enerzijds besloten meer boeren dan voorheen om toch maar te emigreren, anderzijds gingen meer boeren met vervroegd pensioen.
De overblijvers zijn niet te benijden en staan voor een onmogelijke keus. De Nederlandse agrosector is grofweg te verdelen in drie categorieën. Als we de statusladder binnen de sector volgen staan de 'dikke' boeren bovenaan. Dat zijn de boeren die rond de honderdvijftig of meer koeien hebben. Dan komt er een hele tijd niets en volgen de 'boertjes'. Melkveehouders met een stuk of dertig koeien die daarnaast nog een ander baantje hebben. Deze deeltijdboeren worden in de sector een beetje meewarig bekeken want ze tellen eigenlijk niet mee.
En dan zijn er nog de boeren die proberen terug te gaan naar het oorspronkelijke boerenbedrijf. Zij beoefenen hun vak zoals het ooit bedoeld was. Geïntegreerd. Dat wil zeggen een beetje vee en een beetje akkerbouw. Waarbij de ene tak naadloos aansluit op de andere. Zij zijn binnen de gangbare gedachtewereld van de sector de echte 'losers' want het is geen vlees en het is geen vis.
De Nederlandse agrosector maakt zich op voor weer een nieuwe discussieronde over de toekomst van de boerenstand. Het Europese Landbouwbeleid is dringend aan hervorming toe, al was het alleen maar om het ook in de toekomst een beetje betaalbaar te houden. Er komt een nieuwe onderhandelingsronde over een verdere liberalisering van de wereldhandel. Om echte liberalisering mogelijk te maken is het verder verlagen van de prijssteun voor de Europese boeren onvermijdelijk.
Daarnaast speelt de toetreding van een aantal Midden- en Oost-Europese landen tot de Europese Unie een rol. Als de boeren daar volgens het huidige subsidiesysteem zouden moeten worden behandeld, is de Europese kas in één klap voor jaren leeg. En dus krijgen de boeren in de nieuwe lidstaten vele malen minder financiële steun dan hun collega’s in het ‘oude’ Europa. Het argument waarmee deze discriminatie tussen bevolkings-groepen wordt verdedigt, luidt als volgt: voor de toetreding kregen ze geen steun, dus waarom zouden we ze het nu dan wel geven?
De agrosector kost de Europese belastingbetaler nu 45 mrd euro. Per jaar wel te verstaan. Terzijde: toen onze nationale vliegtuigtrots Fokker op het randje van de afgrond balanceerde kreeg het bedrijf een boedelkrediet van euro 7 miljoen per dag. De toenmalige minister van economische zaken Hans Wijers vond - gelet op die kosten en het perspectief van de onderneming - één maand meer dan genoeg. De Nederlandse melkveehouderij kreeg in dat zelfde jaar in de vorm van exportrestituties 800 miljoen euro aan subsidies op de bankrekening bijgeschreven. Dat is ruim 2 miljoen euro per dag. Die subsidiestroom loopt al decennia en gaat licht aangepast gewoon door.
En zo droomde de Fokker-bestuursvoorzitter als hij zwaar had getafeld wel eens van vliegtuigen die melk geven, terwijl de boeren zich gelukkig prijzen dat koeien niet kunnen vliegen.
Toch is de Nederlandse melkveehouderij begonnen aan een glijvlucht die onherroepelijk eindigt in een zeer harde landing. De subsidies waarmee de melkprijzen voor de Europese boeren kunstmatig hoog worden gehouden moeten verder omlaag, tot een niveau waarbij de Europese prijs en wereldmarktprijs zo goed als in evenwicht zijn gebracht. Dat nieuwe evenwicht ligt, naar het zich laat aanzien, fors onder de huidige Nederlandse kostprijs.
Als compensatie voor de verdwijnende prijssubsidies komen er, net als eerder voor de graanboeren, inkomenstoeslagen. Tenminste, dat denken de boeren. De Nederlandse melkveehouders schieten daar overigens weinig mee op omdat die toeslagen hectare-gekoppeld zijn. Hoe meer land een boer heeft, hoe hoger de inkomenstoeslag. Die systematiek pakt nadelig uit voor de Nederlandse melkveehouder die verhoudingsgewijs veel koeien op weinig hectares houdt. Daarom pleit de sector ook voor een koppeling aan de hoeveelheid geproduceerde melk, of desnoods aan het aantal koeien. Tevergeefs, want zo 'n systematiek is een verkapte vorm van prijssteun en daar wil men juist van af.
Om voor inkomenstoeslagen in aanmerking te komen moeten de boeren straks een tegenprestatie leveren in de vorm van landschap- en natuurbeheer. En ook hier liggen de Nederlandse melkveehouders aan de laatste speen. De peperdure ruilverkavelingen die nodig waren om de productie per hectare zo hoog mogelijk te maken, hebben grote delen van het platteland veranderd in grootschalige en eentonige grasfabrieken. De kronkelslootjes, die met hun rijen knotwilgen vroeger de vooruitgang in de weg leken te staan en dus moesten verdwijnen, blijken nu goud waard te zijn.
De mogelijkheden om via productiviteitsstijgingen de komende prijsdalingen op te vangen zijn voor de Nederlandse melkveehouderij zo goed als afwezig. Voor de Europese melkveehouders geldt nu een productiebeperking. Die heeft niets te maken met het afstemmen van het aanbod op de vraag, maar is vooral bedoeld om de kosten ter compensatie van het prijsverschil tussen de Europese melkprijs en de wereldmarktprijs in de hand te houden. Naarmate die twee prijzen meer in evenwicht komen, heeft productiebeperking minder zin. Maar met het loslaten van die productiebeperking, en dat gaat onherroepelijk gebeuren, schieten de Nederlandse melkveehouders niets op.
Het is een fluitje van een cent om op één hectare land honderd koeien te houden. Veevoer is immers overal te koop. Maar naast melk produceert een koe ook mest en het is onmogelijk de mest van honderd koeien op een hectare, binnen de normen van het nieuwe mestbeleid, kwijt te raken. Nederland is, gelet op de Europese milieunormen, domweg te klein voor een forse productieverhoging.
Die milieuklip zou met gebruik van hormonen in het veevoer genomen kunnen worden. Toepassing van het BST-hormoon geeft een productiviteitsstijging van rond de 15% zonder dat de mestproductie evenredig stijgt. Maar ook dat traject is niet realistisch. In Europa is het gebruik van BST niet toegestaan. En als het wel gebruikt zou mogen worden, helpt het nog weinig. Het gaat langzaam, maar een groeiende groep consumenten moet niets van dergelijke hulpmiddelen bij de voedselproductie hebben.
De sector denkt die beperkingen te kunnen pareren met verdere schaalvergroting als middel voor kostenreductie. Sommige voormannen gaan ervan uit dat in dat proces van de huidige 35.000 melkveehouders minder dan de helft overblijft. Als dat proces al op gang kan komen. Verdere schaalvergroting, die moet leiden tot bedrijven waar met behulp van melkrobots en een gecomputeriseerd voersysteem door een ondernemer rond de 300 koeien worden gehouden, is technisch mogelijk. Maar het betekent tegelijk een verdere 'ver-flevo-poldering' van het platteland. Eindeloze grastoendra 's met aan de einder links en rechts een boerderij omgeven door een nest van horizonvervuilende windmolens, want van de wind valt tegenwoordig wel te leven.
Het lijkt een logisch scenario voor een effectieve aanpak van de problemen, maar dat is het niet. De verschillende deelsectoren in de primaire agrosector worden door de beoogde herstructurering en sanering niet versterkt, maar juist verzwakt. Niet de hypermoderne mammoetbedrijven hebben de toekomst, maar de kleine bedrijven die men wil wegsaneren.
Tot voor kort lagen ondernemers in de getroffen deelsectoren - de varkenshouders en de tuinders - van een crisis niet echt wakker. Zij kennen als geen ander het ritme van de varkenscyclus en de cadans van de tomatentango. Hoge prijzen voor een bepaald product hebben een onweerstaanbare aantrekkingskracht op collega’s die het ook wel eens willen proberen. Het gevolg is overproductie met de daaraan gekoppelde onvermijdelijke prijsval. Die lage prijzen zorgden in het verleden voor een natuurlijke selectie. De betere boeren en tuinders schakelden over naar een hogere productiviteitsversnelling en concurreerden de zwakkere broeders, waar ook ter wereld, op kosten uit de markt. Het evenwicht herstelde zich, de prijs ging weer omhoog, en tijdens het proces waren er weer een paar concurrenten uit de markt gedrukt. Dat was een ijzeren wetmatigheid waardoor de agrosector tot nu toe elke crisis niet alleen het hoofd wist te bieden, maar er ook sterker uit kwam.
Dat beproefde recept wil de sector ook nu weer toepassen. Met dit verschil dat de vroeger natuurlijk verlopende sanering nu een handje moet worden geholpen omdat snelheid geboden is. In de intensieve veehouderij - varkens, pluimvee - staat iets soortgelijks te gebeuren. Alleen worden daar de mestplannen gebruikt om de sector te moderniseren. De ruim 700 miljoen euro die voor uitvoering van het mestbeleid is uitgetrokken, zal vooral worden aangewend voor een verdere schaalvergroting. De redenering is dat op de grotere bedrijven, die technisch veel beter zijn uitgerust, het mestoverschot lager is dan op kleine verouderde bedrijven. Haal de verouderde bedrijven uit de markt, vergroot en versterk de betere bedrijven en het mestprobleem lost zich vanzelf op. Bovendien heeft zo'n aanpak als gunstig neveneffect dat de blijvers een betere uitgangspositie in de toch al overvolle markt hebben. Maar het vroeger zo probaat werkende middel is uitgewerkt.
De Nederlandse land- en tuinbouw dankte zijn tot voor kort ijzersterke positie aan de combinatie van vakmanschap en de inbreng van eigen arbeid en eigen kapitaal. Het vakmanschap werd gebruikt om door specialisatie de kosten per eenheid product te drukken. De vergoeding voor eigen arbeid en kapitaal vormde de variabele sluitpost waardoor de winst- en verliesrekening ook in slechte jaren positief kon worden afgesloten. Als het een jaar wat minder ging, nam de boer of tuinder genoegen met een mindere vergoeding en paste het verschil bij via zijn spaarbankboekje.
Met schaalvergroting zijn verdere kostenvoordelen te behalen, maar diezelfde schaalvergroting maakt de agro-ondernemingen ook buitengewoon kwetsbaar. Op de grotere bedrijven is relatief veel vreemd kapitaal en vreemde arbeid nodig. Daardoor wordt van een strategisch inzetbare variabele kostenpost een statische vaste kostenpost gemaakt. Een werknemer die minder krijgt dan het vooraf afgesproken salaris, maakt stennis en vertrekt. En een geldverschaffer die zijn rente en aflossing niet krijgt, doet dat na verloop van tijd ook. Die beweging kan nu al worden waargenomen in de advertentiekolommen van de vakpers waarin varkenshouderijen en tuinbouwbedrijven te koop worden aangeboden. Terwijl het vroeger vooral om marginale bedrijven ging - de keuterboeren en de scharreltuinders - heeft de agro-makelaardij nu in toenemende mate moderne, grootschalige bedrijven in de aanbieding.
Er is nog een reden waarom een verdere schaalvergroting van de primaire landbouwbedrijven de sector als een boemerang zal treffen. Schaalvergroting leidt tot meer productie van hetzelfde tegen lagere kosten. Maar steeds meer verwende euroconsumenten zijn niet geïnteresseerd in meer van hetzelfde. Zij willen geen volume maar variatie. Met als extra eis dat het aangeboden pakket op een zo natuurlijk mogelijke manier is geproduceerd. De Nederlandse agrosector kan nu al niet aan die laatste en steeds belangrijker wordende consumenteneis voldoen. De sector produceert - vrucht van vroegere productiviteitverbeteringen - op een industrieel ogende manier. Met een verdere schaalvergroting wordt dat nog erger en prijst de sector zich niet in, maar uit de markt. Terzijde, met het ontstaan van mammoetbedrijven wordt tegelijk het platteland, waar landschappelijk gezien toch al weinig van over is, van zijn laatste stukjes variatie ontdaan.
Het zijn de zogenaamde marginale bedrijven, waarop de 'dikke' boeren en de 'hete' tuinders geringschattend neerkijken, die de toekomst hebben. Niet gehinderd door torenhoge vaste financierings- en personeelslasten worstelen ze zich steunend en kreunend door elke prijscrisis in de markt. De keuterboer houdt zijn varkens in tochtige hokken zonder betonvloeren en ander gemak dat vooral bedoeld is om het de ondernemer naar de zin te maken. Maar een varken wil bibberen in blubber. Met daarin aardappelschillen, beschimmeld brood en als toetje soep- en papresten. Het liefst door elkaar.
Hoor ze knorren!
Een scharreltuinder doet niet aan moderniteiten als de computergestuurde teelt op glaswoldekens waar de planten aan het infuus van de druppelbevloeiing liggen. De nagels van de scharreltuinder hebben in tegenstelling tot zijn vooruitstrevende collega's, nog rouwranden. Dat is zijn handelsmerk, ontstaan door het met de vingers graven van een gaatje in de grond waar de planten in worden gepoot.
Proef het verschil!
Juist omdat de scharreltuinder zijn producten nog in de grond teelt, is hij gedwongen tot variatie. Wie te lang op hetzelfde stukje grond hetzelfde gewas teelt, wordt door de natuur afgestraft met allerhande bodemziekten die de productie en de kwaliteit nadelig beïnvloeden. Tot voor kort ging men die te lijf met een breed scala aan bestrijdingsmiddelen. De meeste daarvan zijn tegenwoordig verboden of werken niet meer. En zo is de cirkel weer rond: vruchtwisseling zoals dat niet zo gek lang geleden ook al gebeurde. Het ene jaar tomaten en het andere jaar komkommers. Om prijsrisico's te vermijden van alles een beetje, dus ook een hoekje sla, bloemkool, spinazie en andijvie. Voor de zekerheid twee kassen druiven en om dat risico weer af te dekken ook wat pruim en perzik. Negen teelten in de vingers.
Dat is pas vakmanschap!
De ouderwetse tuinder of varkenshouder is paradoxaal genoeg misschien marginaal, maar eigenlijk moderner dan zijn grootschalige, zeer gespecialiseerde en met hightech uitgeruste collega. Hun manier van produceren sluit naadloos aan op de ideaalbeelden die een groeiende groep consumenten over verantwoorde agro-productie heeft. Bovendien is die groep bereid daarvoor te betalen. Maar de kleine boertjes moeten verdwijnen in naam van de vooruitgang.
Zo saneert de agrosector zijn eigen toekomst weg.
De overblijvers zijn niet te benijden en staan voor een onmogelijke keus. De Nederlandse agrosector is grofweg te verdelen in drie categorieën. Als we de statusladder binnen de sector volgen staan de 'dikke' boeren bovenaan. Dat zijn de boeren die rond de honderdvijftig of meer koeien hebben. Dan komt er een hele tijd niets en volgen de 'boertjes'. Melkveehouders met een stuk of dertig koeien die daarnaast nog een ander baantje hebben. Deze deeltijdboeren worden in de sector een beetje meewarig bekeken want ze tellen eigenlijk niet mee.
En dan zijn er nog de boeren die proberen terug te gaan naar het oorspronkelijke boerenbedrijf. Zij beoefenen hun vak zoals het ooit bedoeld was. Geïntegreerd. Dat wil zeggen een beetje vee en een beetje akkerbouw. Waarbij de ene tak naadloos aansluit op de andere. Zij zijn binnen de gangbare gedachtewereld van de sector de echte 'losers' want het is geen vlees en het is geen vis.
De Nederlandse agrosector maakt zich op voor weer een nieuwe discussieronde over de toekomst van de boerenstand. Het Europese Landbouwbeleid is dringend aan hervorming toe, al was het alleen maar om het ook in de toekomst een beetje betaalbaar te houden. Er komt een nieuwe onderhandelingsronde over een verdere liberalisering van de wereldhandel. Om echte liberalisering mogelijk te maken is het verder verlagen van de prijssteun voor de Europese boeren onvermijdelijk.
Daarnaast speelt de toetreding van een aantal Midden- en Oost-Europese landen tot de Europese Unie een rol. Als de boeren daar volgens het huidige subsidiesysteem zouden moeten worden behandeld, is de Europese kas in één klap voor jaren leeg. En dus krijgen de boeren in de nieuwe lidstaten vele malen minder financiële steun dan hun collega’s in het ‘oude’ Europa. Het argument waarmee deze discriminatie tussen bevolkings-groepen wordt verdedigt, luidt als volgt: voor de toetreding kregen ze geen steun, dus waarom zouden we ze het nu dan wel geven?
De agrosector kost de Europese belastingbetaler nu 45 mrd euro. Per jaar wel te verstaan. Terzijde: toen onze nationale vliegtuigtrots Fokker op het randje van de afgrond balanceerde kreeg het bedrijf een boedelkrediet van euro 7 miljoen per dag. De toenmalige minister van economische zaken Hans Wijers vond - gelet op die kosten en het perspectief van de onderneming - één maand meer dan genoeg. De Nederlandse melkveehouderij kreeg in dat zelfde jaar in de vorm van exportrestituties 800 miljoen euro aan subsidies op de bankrekening bijgeschreven. Dat is ruim 2 miljoen euro per dag. Die subsidiestroom loopt al decennia en gaat licht aangepast gewoon door.
En zo droomde de Fokker-bestuursvoorzitter als hij zwaar had getafeld wel eens van vliegtuigen die melk geven, terwijl de boeren zich gelukkig prijzen dat koeien niet kunnen vliegen.
Toch is de Nederlandse melkveehouderij begonnen aan een glijvlucht die onherroepelijk eindigt in een zeer harde landing. De subsidies waarmee de melkprijzen voor de Europese boeren kunstmatig hoog worden gehouden moeten verder omlaag, tot een niveau waarbij de Europese prijs en wereldmarktprijs zo goed als in evenwicht zijn gebracht. Dat nieuwe evenwicht ligt, naar het zich laat aanzien, fors onder de huidige Nederlandse kostprijs.
Als compensatie voor de verdwijnende prijssubsidies komen er, net als eerder voor de graanboeren, inkomenstoeslagen. Tenminste, dat denken de boeren. De Nederlandse melkveehouders schieten daar overigens weinig mee op omdat die toeslagen hectare-gekoppeld zijn. Hoe meer land een boer heeft, hoe hoger de inkomenstoeslag. Die systematiek pakt nadelig uit voor de Nederlandse melkveehouder die verhoudingsgewijs veel koeien op weinig hectares houdt. Daarom pleit de sector ook voor een koppeling aan de hoeveelheid geproduceerde melk, of desnoods aan het aantal koeien. Tevergeefs, want zo 'n systematiek is een verkapte vorm van prijssteun en daar wil men juist van af.
Om voor inkomenstoeslagen in aanmerking te komen moeten de boeren straks een tegenprestatie leveren in de vorm van landschap- en natuurbeheer. En ook hier liggen de Nederlandse melkveehouders aan de laatste speen. De peperdure ruilverkavelingen die nodig waren om de productie per hectare zo hoog mogelijk te maken, hebben grote delen van het platteland veranderd in grootschalige en eentonige grasfabrieken. De kronkelslootjes, die met hun rijen knotwilgen vroeger de vooruitgang in de weg leken te staan en dus moesten verdwijnen, blijken nu goud waard te zijn.
De mogelijkheden om via productiviteitsstijgingen de komende prijsdalingen op te vangen zijn voor de Nederlandse melkveehouderij zo goed als afwezig. Voor de Europese melkveehouders geldt nu een productiebeperking. Die heeft niets te maken met het afstemmen van het aanbod op de vraag, maar is vooral bedoeld om de kosten ter compensatie van het prijsverschil tussen de Europese melkprijs en de wereldmarktprijs in de hand te houden. Naarmate die twee prijzen meer in evenwicht komen, heeft productiebeperking minder zin. Maar met het loslaten van die productiebeperking, en dat gaat onherroepelijk gebeuren, schieten de Nederlandse melkveehouders niets op.
Het is een fluitje van een cent om op één hectare land honderd koeien te houden. Veevoer is immers overal te koop. Maar naast melk produceert een koe ook mest en het is onmogelijk de mest van honderd koeien op een hectare, binnen de normen van het nieuwe mestbeleid, kwijt te raken. Nederland is, gelet op de Europese milieunormen, domweg te klein voor een forse productieverhoging.
Die milieuklip zou met gebruik van hormonen in het veevoer genomen kunnen worden. Toepassing van het BST-hormoon geeft een productiviteitsstijging van rond de 15% zonder dat de mestproductie evenredig stijgt. Maar ook dat traject is niet realistisch. In Europa is het gebruik van BST niet toegestaan. En als het wel gebruikt zou mogen worden, helpt het nog weinig. Het gaat langzaam, maar een groeiende groep consumenten moet niets van dergelijke hulpmiddelen bij de voedselproductie hebben.
De sector denkt die beperkingen te kunnen pareren met verdere schaalvergroting als middel voor kostenreductie. Sommige voormannen gaan ervan uit dat in dat proces van de huidige 35.000 melkveehouders minder dan de helft overblijft. Als dat proces al op gang kan komen. Verdere schaalvergroting, die moet leiden tot bedrijven waar met behulp van melkrobots en een gecomputeriseerd voersysteem door een ondernemer rond de 300 koeien worden gehouden, is technisch mogelijk. Maar het betekent tegelijk een verdere 'ver-flevo-poldering' van het platteland. Eindeloze grastoendra 's met aan de einder links en rechts een boerderij omgeven door een nest van horizonvervuilende windmolens, want van de wind valt tegenwoordig wel te leven.
Het lijkt een logisch scenario voor een effectieve aanpak van de problemen, maar dat is het niet. De verschillende deelsectoren in de primaire agrosector worden door de beoogde herstructurering en sanering niet versterkt, maar juist verzwakt. Niet de hypermoderne mammoetbedrijven hebben de toekomst, maar de kleine bedrijven die men wil wegsaneren.
Tot voor kort lagen ondernemers in de getroffen deelsectoren - de varkenshouders en de tuinders - van een crisis niet echt wakker. Zij kennen als geen ander het ritme van de varkenscyclus en de cadans van de tomatentango. Hoge prijzen voor een bepaald product hebben een onweerstaanbare aantrekkingskracht op collega’s die het ook wel eens willen proberen. Het gevolg is overproductie met de daaraan gekoppelde onvermijdelijke prijsval. Die lage prijzen zorgden in het verleden voor een natuurlijke selectie. De betere boeren en tuinders schakelden over naar een hogere productiviteitsversnelling en concurreerden de zwakkere broeders, waar ook ter wereld, op kosten uit de markt. Het evenwicht herstelde zich, de prijs ging weer omhoog, en tijdens het proces waren er weer een paar concurrenten uit de markt gedrukt. Dat was een ijzeren wetmatigheid waardoor de agrosector tot nu toe elke crisis niet alleen het hoofd wist te bieden, maar er ook sterker uit kwam.
Dat beproefde recept wil de sector ook nu weer toepassen. Met dit verschil dat de vroeger natuurlijk verlopende sanering nu een handje moet worden geholpen omdat snelheid geboden is. In de intensieve veehouderij - varkens, pluimvee - staat iets soortgelijks te gebeuren. Alleen worden daar de mestplannen gebruikt om de sector te moderniseren. De ruim 700 miljoen euro die voor uitvoering van het mestbeleid is uitgetrokken, zal vooral worden aangewend voor een verdere schaalvergroting. De redenering is dat op de grotere bedrijven, die technisch veel beter zijn uitgerust, het mestoverschot lager is dan op kleine verouderde bedrijven. Haal de verouderde bedrijven uit de markt, vergroot en versterk de betere bedrijven en het mestprobleem lost zich vanzelf op. Bovendien heeft zo'n aanpak als gunstig neveneffect dat de blijvers een betere uitgangspositie in de toch al overvolle markt hebben. Maar het vroeger zo probaat werkende middel is uitgewerkt.
De Nederlandse land- en tuinbouw dankte zijn tot voor kort ijzersterke positie aan de combinatie van vakmanschap en de inbreng van eigen arbeid en eigen kapitaal. Het vakmanschap werd gebruikt om door specialisatie de kosten per eenheid product te drukken. De vergoeding voor eigen arbeid en kapitaal vormde de variabele sluitpost waardoor de winst- en verliesrekening ook in slechte jaren positief kon worden afgesloten. Als het een jaar wat minder ging, nam de boer of tuinder genoegen met een mindere vergoeding en paste het verschil bij via zijn spaarbankboekje.
Met schaalvergroting zijn verdere kostenvoordelen te behalen, maar diezelfde schaalvergroting maakt de agro-ondernemingen ook buitengewoon kwetsbaar. Op de grotere bedrijven is relatief veel vreemd kapitaal en vreemde arbeid nodig. Daardoor wordt van een strategisch inzetbare variabele kostenpost een statische vaste kostenpost gemaakt. Een werknemer die minder krijgt dan het vooraf afgesproken salaris, maakt stennis en vertrekt. En een geldverschaffer die zijn rente en aflossing niet krijgt, doet dat na verloop van tijd ook. Die beweging kan nu al worden waargenomen in de advertentiekolommen van de vakpers waarin varkenshouderijen en tuinbouwbedrijven te koop worden aangeboden. Terwijl het vroeger vooral om marginale bedrijven ging - de keuterboeren en de scharreltuinders - heeft de agro-makelaardij nu in toenemende mate moderne, grootschalige bedrijven in de aanbieding.
Er is nog een reden waarom een verdere schaalvergroting van de primaire landbouwbedrijven de sector als een boemerang zal treffen. Schaalvergroting leidt tot meer productie van hetzelfde tegen lagere kosten. Maar steeds meer verwende euroconsumenten zijn niet geïnteresseerd in meer van hetzelfde. Zij willen geen volume maar variatie. Met als extra eis dat het aangeboden pakket op een zo natuurlijk mogelijke manier is geproduceerd. De Nederlandse agrosector kan nu al niet aan die laatste en steeds belangrijker wordende consumenteneis voldoen. De sector produceert - vrucht van vroegere productiviteitverbeteringen - op een industrieel ogende manier. Met een verdere schaalvergroting wordt dat nog erger en prijst de sector zich niet in, maar uit de markt. Terzijde, met het ontstaan van mammoetbedrijven wordt tegelijk het platteland, waar landschappelijk gezien toch al weinig van over is, van zijn laatste stukjes variatie ontdaan.
Het zijn de zogenaamde marginale bedrijven, waarop de 'dikke' boeren en de 'hete' tuinders geringschattend neerkijken, die de toekomst hebben. Niet gehinderd door torenhoge vaste financierings- en personeelslasten worstelen ze zich steunend en kreunend door elke prijscrisis in de markt. De keuterboer houdt zijn varkens in tochtige hokken zonder betonvloeren en ander gemak dat vooral bedoeld is om het de ondernemer naar de zin te maken. Maar een varken wil bibberen in blubber. Met daarin aardappelschillen, beschimmeld brood en als toetje soep- en papresten. Het liefst door elkaar.
Hoor ze knorren!
Een scharreltuinder doet niet aan moderniteiten als de computergestuurde teelt op glaswoldekens waar de planten aan het infuus van de druppelbevloeiing liggen. De nagels van de scharreltuinder hebben in tegenstelling tot zijn vooruitstrevende collega's, nog rouwranden. Dat is zijn handelsmerk, ontstaan door het met de vingers graven van een gaatje in de grond waar de planten in worden gepoot.
Proef het verschil!
Juist omdat de scharreltuinder zijn producten nog in de grond teelt, is hij gedwongen tot variatie. Wie te lang op hetzelfde stukje grond hetzelfde gewas teelt, wordt door de natuur afgestraft met allerhande bodemziekten die de productie en de kwaliteit nadelig beïnvloeden. Tot voor kort ging men die te lijf met een breed scala aan bestrijdingsmiddelen. De meeste daarvan zijn tegenwoordig verboden of werken niet meer. En zo is de cirkel weer rond: vruchtwisseling zoals dat niet zo gek lang geleden ook al gebeurde. Het ene jaar tomaten en het andere jaar komkommers. Om prijsrisico's te vermijden van alles een beetje, dus ook een hoekje sla, bloemkool, spinazie en andijvie. Voor de zekerheid twee kassen druiven en om dat risico weer af te dekken ook wat pruim en perzik. Negen teelten in de vingers.
Dat is pas vakmanschap!
De ouderwetse tuinder of varkenshouder is paradoxaal genoeg misschien marginaal, maar eigenlijk moderner dan zijn grootschalige, zeer gespecialiseerde en met hightech uitgeruste collega. Hun manier van produceren sluit naadloos aan op de ideaalbeelden die een groeiende groep consumenten over verantwoorde agro-productie heeft. Bovendien is die groep bereid daarvoor te betalen. Maar de kleine boertjes moeten verdwijnen in naam van de vooruitgang.
Zo saneert de agrosector zijn eigen toekomst weg.
EHEC-bacterie
De in Nederland aangetroffen EHEC-bacterie is onbekend bij het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM).
De bacteriën die de Voedsel- en Waren Autoriteit begin deze maand bij twee Nederlandse groentetelers op rodebietenspruiten aantrof, kunnen niet door het RIVM geïdentificeerd worden. Dat meldt het ministerie van Volksgezondheid.
Het RIVM heeft de bacteriestam nu opgestuurd naar laboratoria in Italië en Denemarken in de hoop dat zij erin slagen de variant van de gevreesde bacterie te achterhalen. Dit kan een aantal weken duren. Het is overigens niet bekend hoe ziekteverwekkend deze gevonden stam ook daadwerkelijk is.
De huidige uitbraak van EHEC is de dodelijkste tot nu toe. Tot nu toe zijn er 39 mensen bezweken door besmetting met de bacterie die niercomplicaties veroorzaakt. Zij lijkt afkomstig te zijn van kiemgroenten van een boerderij in Bienenbüttel, in het noorden van Duitsland.
Volgens het Robert Koch Instituut, het Duitse equivalent van de RIVM in Nederland, neemt het aantal nieuwe besmettingen sinds de afgelopen week af. In totaal zijn in Duitsland op dit moment 3304 mensen besmet, dat zijn er vijftig meer dan gisteren. Hoewel het aantal gevallen van besmetting afneemt, waarschuwt de Duitse minister van Volksgezondheid Daniel Bahr dat er mogelijk nog mensen kunnen bezwijken aan de bacterie. Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie zijn meer dan honderd mensen in de verenigde Staten, Canada en dertien andere Europese landen besmet. In Nederland zijn volgens het RIVM vier mensen besmet.
De bacteriën die de Voedsel- en Waren Autoriteit begin deze maand bij twee Nederlandse groentetelers op rodebietenspruiten aantrof, kunnen niet door het RIVM geïdentificeerd worden. Dat meldt het ministerie van Volksgezondheid.
Het RIVM heeft de bacteriestam nu opgestuurd naar laboratoria in Italië en Denemarken in de hoop dat zij erin slagen de variant van de gevreesde bacterie te achterhalen. Dit kan een aantal weken duren. Het is overigens niet bekend hoe ziekteverwekkend deze gevonden stam ook daadwerkelijk is.
De huidige uitbraak van EHEC is de dodelijkste tot nu toe. Tot nu toe zijn er 39 mensen bezweken door besmetting met de bacterie die niercomplicaties veroorzaakt. Zij lijkt afkomstig te zijn van kiemgroenten van een boerderij in Bienenbüttel, in het noorden van Duitsland.
Volgens het Robert Koch Instituut, het Duitse equivalent van de RIVM in Nederland, neemt het aantal nieuwe besmettingen sinds de afgelopen week af. In totaal zijn in Duitsland op dit moment 3304 mensen besmet, dat zijn er vijftig meer dan gisteren. Hoewel het aantal gevallen van besmetting afneemt, waarschuwt de Duitse minister van Volksgezondheid Daniel Bahr dat er mogelijk nog mensen kunnen bezwijken aan de bacterie. Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie zijn meer dan honderd mensen in de verenigde Staten, Canada en dertien andere Europese landen besmet. In Nederland zijn volgens het RIVM vier mensen besmet.
dinsdag 14 juni 2011
Welke olie is het gezondst?
Van arachideolie, olijfolie tot zonnebloemolie
Wie op zoek is naar een lekkere olie om in te bakken of om als dressing te gebruiken, kan soms schrikken van het enorme aanbod aan oliën in de winkel. Van arachideolie tot zonnebloemolie: er is keuze te over. Wat zijn de verschillen tussen al die culinaire oliën?
Oliën zitten vol met goede, onverzadigde vetten en zijn brandstof voor je lichaam. Op dit moment is het bij vetten zo dat onverzadigde vetten gezonder zijn dan verzadigde vetten (De wetenschap ontdekt langzaam maar zeker ook gezondheidseffecten in verzadigde vetten).
Onverzadigde vetten hebben een gunstig effect op het cholesterolgehalte in je bloed. Ze verhogen het ‘goede’ HDL-cholesterol en ze verlagen het ‘slechte’ LDL-cholesterol. Als je onverzadigde vetten eet in plaats van verzadigde vetten, verklein je je kans op hart- en vaatziekten aanzienlijk.
Het is dus beter om bij het bakken gebruik te maken van oliën dan van (room)boter, dat verzadigd vet bevat. Vloeibaar bak- en braadvet is overigens ook prima.
Oliën zijn dus beter dan roomboter, maar maakt het ook verschil welke soort olie je kiest? In de winkel heb je keuze genoeg. In de ene soort zitten enkelvoudig onverzadigde vetten, in de andere soort juist veel meervoudig onverzadigde vetten. Voor het tegengaan van het risico op hart- en vaatziekten maakt het helemaal niet uit welke soort onverzadigde vetten je gebruikt. Wel is het zo dat de ene olie (veel) meer onverzadigde vetten bevat dan de andere. Uitzonderingen zijn kokosolie en palmolie, waar veel (verkeerd) verzadigd vet in voorkomt. Die kun je dus beter zo min mogelijk gebruiken.
In het rijtje hieronder zie je de verschillen tussen een aantal veelvoorkomende oliën. Je ziet dan meteen ook het gehalte aan onverzadigde vetten.
Arachideolie
Deze oliesoort wordt uit pinda´s gewonnen en smaakt dan ook een klein beetje naar pinda’s. Je kunt erin bakken en ermee frituren. Ook is arachideolie geschikt om in dressings te gebruiken. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 31 procent.
Maïsolie
Maïsolie komt uit de kiemen van maïskorrels. Ook deze olie kun je gebruiken om te bakken en te frituren en als dressing. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 51 procent.
Olijfolie
Waarschijnlijk is olijfolie de bekendste olie van het hele stel. Olijfolie wordt geperst uit het vruchtvlees en de pitten van de olijf. Je hebt verschillende soorten olijfolie: van traditionele tot extra vierge. Traditionele olijfolie kun je gebruiken om mee te bakken en te frituren. Extra vierge is ideaal voor dressings of over pasta’s. Olijfolie bevat vooral enkelvoudig onverzadigde vetten. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 8 procent.
Sesamolie
Uit sesamzaadjes kun je sesamolie winnen, geschikt om mee te bakken. Donkere sesamolie kun je daarnaast prima gebruiken in je salade. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 43 procent.
Slaolie
Slaolie is een mix van een aantal andere oliën uit dit rijtje. Het is geen op zichzelf staande olie.
Sojaolie
Ook sojaolie, gemaakt uit sojabonen, kun je gebruiken om te bakken en als dressing. Je kunt sojaolie echter niet lang bewaren (minder dan 12 weken). Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 59 procent.
Walnootolie
Uit walnoten wordt walnootolie geperst. Deze olie is niet geschikt om in te bakken of mee te frituren, maar wel om over je pasta of salade te doen. Walnootolie is ook maximaal 12 weken houdbaar. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 70 procent.
Zonnebloemolie
Zonnebloemolie maak je van zonnebloempitten. Zonnebloemolie kun je weer wel overal voor gebruiken: voor bakken, braden en voor dressings. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 63 procent.
Wie op zoek is naar een lekkere olie om in te bakken of om als dressing te gebruiken, kan soms schrikken van het enorme aanbod aan oliën in de winkel. Van arachideolie tot zonnebloemolie: er is keuze te over. Wat zijn de verschillen tussen al die culinaire oliën?
Oliën zitten vol met goede, onverzadigde vetten en zijn brandstof voor je lichaam. Op dit moment is het bij vetten zo dat onverzadigde vetten gezonder zijn dan verzadigde vetten (De wetenschap ontdekt langzaam maar zeker ook gezondheidseffecten in verzadigde vetten).
Onverzadigde vetten hebben een gunstig effect op het cholesterolgehalte in je bloed. Ze verhogen het ‘goede’ HDL-cholesterol en ze verlagen het ‘slechte’ LDL-cholesterol. Als je onverzadigde vetten eet in plaats van verzadigde vetten, verklein je je kans op hart- en vaatziekten aanzienlijk.
Het is dus beter om bij het bakken gebruik te maken van oliën dan van (room)boter, dat verzadigd vet bevat. Vloeibaar bak- en braadvet is overigens ook prima.
Oliën zijn dus beter dan roomboter, maar maakt het ook verschil welke soort olie je kiest? In de winkel heb je keuze genoeg. In de ene soort zitten enkelvoudig onverzadigde vetten, in de andere soort juist veel meervoudig onverzadigde vetten. Voor het tegengaan van het risico op hart- en vaatziekten maakt het helemaal niet uit welke soort onverzadigde vetten je gebruikt. Wel is het zo dat de ene olie (veel) meer onverzadigde vetten bevat dan de andere. Uitzonderingen zijn kokosolie en palmolie, waar veel (verkeerd) verzadigd vet in voorkomt. Die kun je dus beter zo min mogelijk gebruiken.
In het rijtje hieronder zie je de verschillen tussen een aantal veelvoorkomende oliën. Je ziet dan meteen ook het gehalte aan onverzadigde vetten.
Arachideolie
Deze oliesoort wordt uit pinda´s gewonnen en smaakt dan ook een klein beetje naar pinda’s. Je kunt erin bakken en ermee frituren. Ook is arachideolie geschikt om in dressings te gebruiken. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 31 procent.
Maïsolie
Maïsolie komt uit de kiemen van maïskorrels. Ook deze olie kun je gebruiken om te bakken en te frituren en als dressing. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 51 procent.
Olijfolie
Waarschijnlijk is olijfolie de bekendste olie van het hele stel. Olijfolie wordt geperst uit het vruchtvlees en de pitten van de olijf. Je hebt verschillende soorten olijfolie: van traditionele tot extra vierge. Traditionele olijfolie kun je gebruiken om mee te bakken en te frituren. Extra vierge is ideaal voor dressings of over pasta’s. Olijfolie bevat vooral enkelvoudig onverzadigde vetten. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 8 procent.
Sesamolie
Uit sesamzaadjes kun je sesamolie winnen, geschikt om mee te bakken. Donkere sesamolie kun je daarnaast prima gebruiken in je salade. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 43 procent.
Slaolie
Slaolie is een mix van een aantal andere oliën uit dit rijtje. Het is geen op zichzelf staande olie.
Sojaolie
Ook sojaolie, gemaakt uit sojabonen, kun je gebruiken om te bakken en als dressing. Je kunt sojaolie echter niet lang bewaren (minder dan 12 weken). Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 59 procent.
Walnootolie
Uit walnoten wordt walnootolie geperst. Deze olie is niet geschikt om in te bakken of mee te frituren, maar wel om over je pasta of salade te doen. Walnootolie is ook maximaal 12 weken houdbaar. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 70 procent.
Zonnebloemolie
Zonnebloemolie maak je van zonnebloempitten. Zonnebloemolie kun je weer wel overal voor gebruiken: voor bakken, braden en voor dressings. Gehalte meervoudig onverzadigd vet: 63 procent.
Tijdbom
De mens beschikt over een eigenschap die hem nog wel eens lelijk zou kunnen opbreken: hij kan niet met z'n vingers van de natuur afblijven. De natuurlijke opbrengsten van dier en plant zijn hem niet goed genoeg, en dus knutselt hij net zo lang tot er een methode is gevonden om die productie op te schroeven. Dat gebeurde tot voor kort via veredeling. Door verschillende planten binnen een soort - met dieren gaat het ook - met elkaar te kruisen wordt geprobeerd gunstige eigenschappen van de een te combineren met die van de ander en over te brengen op een nieuwe plant. Of dier.
De veredeling heeft in het verleden geleid tot spectaculaire opbrengstverbeteringen die via verbeterde teelttechnieken nog eens een keer omhoog werden gebracht. Het jongste kunstje op dat gebied is de zogenoemde genetische manipulatie. Hierbij gaat het niet om het kruisen van verschillende eigenschappen, maar wordt geknutseld op het niveau van de genen. Er kunnen met deze biotechnologie kleine wondertjes tot stand worden gebracht. En toch zou het wel eens zo kunnen zijn dat we met dit agrotechnologische hoogstandje eigenlijk bezig zijn een doos van Pandora te openen. Daaruit kunnen nieuwe ziekten en plagen opduiken via een proces dat onomkeerbaar en niet meer te stoppen is.
De toepassingen zijn het verst gevorderd in de plantkunde en de resultaten ervan worden door de grote biotechnologiebedrijven verkocht als zegeningen voor de mens en het milieu.
Een van de grootste problemen in de landbouw is het onkruid. Machinaal verwijderen is niet altijd mogelijk en met de hand is het onbegonnen werk of te duur. Daarvoor zijn bestrijdingsmiddelen uitgevonden. Om het onkruid weg te houden moet een paar keer per jaar worden gespoten en dan nog is het niet altijd effectief. Er zijn wel effectieve bestrijdingsmiddelen, maar die doden alle planten. De Amerikaanse gifproducent Monsanto, maker van de allesdoder round-up, borduurde biotechnologisch op dat thema voort. Hun biologen sleutelden net zo lang aan de genen van een sojaplant tot deze resistent was geworden voor round-up. Dat wil zeggen, het gif round-up kon de sojaplant niet meer doden.
Dit ei van Columbus wordt inmiddels op grote schaal en niet alleen in Amerika toegepast. Boeren kopen gemanipuleerd sojazaad bij Monsanto en bestellen daar ook het gif round-up. Als de soja plantjes en het onvermijdelijke onkruid eenmaal zijn opgekomen gaat er een keer de spuit over en aanschouwt de boer het wonder. Het onkruid is verdwenen, de soja groeit en bloeit als nooit tevoren en de boer zit met huid en haar vast aan Monsanto. In landbouwkringen worden de voordelen breed uitgemeten. De productie per vierkante meter gaat omhoog want de sojaplant hoeft niet meer te concurreren met het onkruid. Dat is goed voor de boer. Er hoeft maar een keer te worden gespoten. Dat is goed voor het milieu. En het is helemaal goed voor Monsanto want het hele proces is stevig met octrooien en patenten vastgetimmerd.
Voor de Amerikaanse boeren is de coloradokever een nachtmerrie. Ze vreten binnen de kortste keren grote delen van de oogst weg. En gif spuiten helpt niet meer. De beestjes zijn ongevoelig geworden voor het gif. Dat gaat als volgt. Na een bespuiting met gif zijn er altijd wel een of twee exemplaren die de aanval hebben overleefd. Die planten zich weer voort. Bij de volgende spuitbeurt blijven er niet twee, maar tien of twintig over. Ook die planten zich weer voort. En voor de boer het weet, spuit hij zich een ongeluk en lacht de coloradokever zich hetzelfde want het gif doet hem niets. Dat heet resistentie en er is niks tegen te doen. Behalve dan via genetische manipulatie.
In de hal van het centrale onderzoekscentrum van het grootste biotechnologieconcern ter wereld, Monsanto in St. Louis, staan in een glazen vitrine twee aardappelplanten de zegeningen van genetische manipulatie te bewijzen. De rechterplant is er slecht aan toe, coloradokevers doen zich er dan ook te goed aan. De linkerplant blaakt van gezondheid, hoewel het ook hier wemelt van de coloradokevers. Ze zitten echter niet op de plant, maar liggen er voor. Morsdood.
Biotech-ingenieurs van Monsanto hebben de linkerplant voorzien van een eiwit dat de maagwand van de coloradokever wegvreet als hij eenmaal van de plant heeft gesnoept.
Ook met andere planten heeft Monsanto soortgelijke kunstjes uitgehaald. De Amerikaanse boeren zijn en masse gevallen voor het genetisch gemanipuleerde plantenmateriaal. De kosten zijn vergeleken met 'normaal' plantgoed fors hoger, maar dat zijn de voordelen ook. Naar schatting bestaat 50% van het areaal sojabonen in Amerika uit genetisch gemanipuleerde planten. Voor katoen is dat 40%, en voor maïs 25%. Volgens Monsanto hadden die cijfers gemakkelijk verdubbeld kunnen worden, maar er is op dit moment onvoldoende genetisch gemanipuleerd materiaal voorhanden om aan de vraag te kunnen voldoen.
De volgende stap die de biotechbedrijven in de landbouw willen zetten, is het maken van 'genetische cocktails': planten die verscheidene insecten kunnen doden, resistent zijn tegen meer dan één bestrijdingsmiddel en resistent tegen schimmels.
Het biotechbedrijfje Applied Phytologics Inc. in Californie is met zijn ambities nog enkele stappen verder. Waar grote bedrijven als Monsanto zich voornamelijk bezighouden met biotechnologie die vooral voordelen voor de boer heeft, zoekt Applied Phytologics het in toegevoegde waarde voor de consument. Dat gaat heel ver. Het bedrijf werkt aan een rijstvariant die niet alleen voedingswaarde heeft, maar ook een essentieel bestanddeel bevat voor de aanmaak van menselijk bloed. Volgens hun plannen wordt bloedtransfusie straks niet meer toegediend via een slangetje, maar via een bord rijst. Ook dat is maar een tussenstap. Het uiteindelijke doel is planten zodanig genetisch te manipuleren, dat ze plantaardige 'biofabrieken' worden die bijvoorbeeld milieuvriendelijke olievervangers produceren, waardoor zelfs het broeikaseffect ongedaan wordt gemaakt.
De Amerikanen kijken vooral naar deze onmiskenbaar grote voordelen van genetische manipulatie. Biotechnologie verhoogt de landbouwproductie immers niet alleen op bestaande landbouwgronden, maar gaat ook productie mogelijk maken in gebieden die nu klimatologisch ongeschikt zijn. Deze ontwikkeling is volgens hen broodnodig omdat de wereldbevolking maar blijft groeien.
Dank zij biotechnologie kan het voedseltekort - er zijn nog steeds 800 miljoen mensen die honger lijden - worden opgelost. Dank zij biotechnologie kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen drastisch worden teruggedrongen en dat is weer goed voor het toch al te zwaar belaste milieu. Een populair voorbeeld van milieuvriendelijke genetische manipulatie is de poging om gekleurd katoen te produceren. Katoen is een veel gebruikte kledingstof, maar helaas wit. Kleurtjes moeten per verfbad worden aangebracht en dat is een zwaar milieu belastend procédé. Monsanto werkt hard aan een blauwe katoensoort waardoor straks niet meer al die miljoenen spijkerbroeken hoeven te worden geverfd. En: de kleuren vervagen niet!
In Europa wordt koeltjes kennis genomen van al die zegeningen. Men worstelt vooral met de vraag of genetische manipulatie al dan niet een te grote ingreep is in Gods schepping of in moeder natuur. In de VS is die discussie al een paar jaar geleden volkomen verstomd door de constatering dat genetische manipulatie ook in de natuur voorkomt. Met het versnellen en verbeteren van dat proces in een laboratorium is 'dus' moreel, ethisch en biologisch niets mis. Het inbrengen van dierlijke of zelfs menselijke genen in plantaardig materiaal is in die optiek niet veel anders dan een slimme manier om goedkoop onmisbare bouwstenen voor het menselijk lichaam te produceren.
Dat genetische cocktails een 'genetische gifbeker' kunnen worden zoals critici in vooral Europa beweren, is volgens wetenschappers in dienst van de industrie ondenkbaar: de manipulatie vindt in laboratoria en dus onder gecontroleerde omstandigheden plaats. Bovendien worden de resultaten eerst uitvoerig getest alvorens het eindproduct op de markt wordt gebracht. Die tests beperken zich overigens hoofdzakelijk tot de vraag of het gemanipuleerde product ook daadwerkelijk beter is dan de voorgangers.
Het gemanipuleerde product komt langs verschillende manieren in het eco-systeem terecht. Allereerst via de voedselketen. Mensen en dieren eten voedsel waarin gemanipuleerde producten zoals soja en graan zijn gebruikt. De niet voor consumptie geschikte plantendelen worden vaak als bemesting gebruikt en onder geploegd. Zo verdwijnt er dus op grote schaal genetisch gemanipuleerd materiaal in de bodem. Geen probleem, zeggen de voorstanders van genetische manipulatie. De restanten verdwijnen gewoon. Mogen we hopen, want er is geen enkele zekerheid dat zich in de Amerikaanse bodem niet een genetische tijdbom aan het ontwikkelen is.
Voor onderzoek naar eventuele schadelijke lange termijneffecten bestaat volgens veel onderzoekers bij de biotechbedrijven geen enkele wetenschappelijke noodzaak. Zij verdedigen dat als volgt. Bij genetische manipulatie draait het in feite om geknutsel aan eiwitstructuren. Die structuren zijn in geïsoleerde toestand, dus op celniveau buiten de plant, onstabiel en vallen dan ook al snel uit elkaar. De industrie ziet hierin aangetoond, dat gemanipuleerde genen in resten van gemanipuleerde planten in de bodem geen kwaad kunnen omdat ze toch snel uit elkaar vallen. Dat zou ook gelden voor de opname van gemanipuleerde genen door het menselijk lichaam. De eiwitstructuren worden al in de maag zodanig afgebroken, dat ze niet in de bloedbaan kunnen worden opgenomen.
Die theorie lijkt niet langer houdbaar. Onafhankelijke onderzoekers aan Amerikaanse universiteiten, onder meer die van New York, hebben op laboratoriumschaal aangetoond dat gemanipuleerde genen wel degelijk gedurende langere tijd in de bodem kunnen overleven. De nog niet beantwoorde hamvraag is nu, of die genen verbindingen aangaan met micro-organismen en op die manier structureel het bodemleven kunnen veranderen.
De Amerikaanse boer ligt er niet wakker van. Hij heeft vooral oog voor wat er zich op biotechgebied boven de grond afspeelt. En dat zijn de als nooit tevoren zacht in de wind golvende velden die bijna barsten van de sojabonen en de maïskolven.
Maar de wind is aan het draaien. In de zomer van 1999 maakte de Engelse roddelpers gehakt van voedsel waarbij gebruik was gemaakt van genetisch gemanipuleerd materiaal. Ze noemden het ‘Frankenstein-food’ en joegen met die term de consumenten zo de stuipen op het lijf dat die tegen de supermarkten te hoop liepen. Binnen een paar weken besloten de Albert Heijns van Engeland al het voedsel waar genetisch gemanipuleerde stoffen in zitten uit hun schappen te halen. Onze eigen Albert Heijn zit nu ook op die lijn.
Wakker geschud door de opwinding in Europa begonnen Amerikaanse en Japanse consumentenorganisaties zich ook te roeren. Volgens de Amerikaanse keuringsdienst voor waren en medicijnen is er niets mis met het genetisch gemanipuleerd voedsel. Maar voor de zekerheid kondigde de dienst in de herfst van 1999 aan de zaak toch maar opnieuw te gaan onderzoeken.
Intussen worden er voor het vierde achtereenvolgende jaar honderdduizenden tonnen maïs, graan en soja langs genetisch gemanipuleerde weg geproduceerd. Mocht het onderzoek van de Amerikaanse dienst van waren en medicijnen uitwijzen dat het genetisch gemanipuleerde voedsel toch niet zo veilig is als eerst werd aangenomen, dan hebben we een probleem. Dan tikt de tijdbom namelijk al.
En niemand weet hoe de klok daarvan moet worden stil gezet.
De veredeling heeft in het verleden geleid tot spectaculaire opbrengstverbeteringen die via verbeterde teelttechnieken nog eens een keer omhoog werden gebracht. Het jongste kunstje op dat gebied is de zogenoemde genetische manipulatie. Hierbij gaat het niet om het kruisen van verschillende eigenschappen, maar wordt geknutseld op het niveau van de genen. Er kunnen met deze biotechnologie kleine wondertjes tot stand worden gebracht. En toch zou het wel eens zo kunnen zijn dat we met dit agrotechnologische hoogstandje eigenlijk bezig zijn een doos van Pandora te openen. Daaruit kunnen nieuwe ziekten en plagen opduiken via een proces dat onomkeerbaar en niet meer te stoppen is.
De toepassingen zijn het verst gevorderd in de plantkunde en de resultaten ervan worden door de grote biotechnologiebedrijven verkocht als zegeningen voor de mens en het milieu.
Een van de grootste problemen in de landbouw is het onkruid. Machinaal verwijderen is niet altijd mogelijk en met de hand is het onbegonnen werk of te duur. Daarvoor zijn bestrijdingsmiddelen uitgevonden. Om het onkruid weg te houden moet een paar keer per jaar worden gespoten en dan nog is het niet altijd effectief. Er zijn wel effectieve bestrijdingsmiddelen, maar die doden alle planten. De Amerikaanse gifproducent Monsanto, maker van de allesdoder round-up, borduurde biotechnologisch op dat thema voort. Hun biologen sleutelden net zo lang aan de genen van een sojaplant tot deze resistent was geworden voor round-up. Dat wil zeggen, het gif round-up kon de sojaplant niet meer doden.
Dit ei van Columbus wordt inmiddels op grote schaal en niet alleen in Amerika toegepast. Boeren kopen gemanipuleerd sojazaad bij Monsanto en bestellen daar ook het gif round-up. Als de soja plantjes en het onvermijdelijke onkruid eenmaal zijn opgekomen gaat er een keer de spuit over en aanschouwt de boer het wonder. Het onkruid is verdwenen, de soja groeit en bloeit als nooit tevoren en de boer zit met huid en haar vast aan Monsanto. In landbouwkringen worden de voordelen breed uitgemeten. De productie per vierkante meter gaat omhoog want de sojaplant hoeft niet meer te concurreren met het onkruid. Dat is goed voor de boer. Er hoeft maar een keer te worden gespoten. Dat is goed voor het milieu. En het is helemaal goed voor Monsanto want het hele proces is stevig met octrooien en patenten vastgetimmerd.
Voor de Amerikaanse boeren is de coloradokever een nachtmerrie. Ze vreten binnen de kortste keren grote delen van de oogst weg. En gif spuiten helpt niet meer. De beestjes zijn ongevoelig geworden voor het gif. Dat gaat als volgt. Na een bespuiting met gif zijn er altijd wel een of twee exemplaren die de aanval hebben overleefd. Die planten zich weer voort. Bij de volgende spuitbeurt blijven er niet twee, maar tien of twintig over. Ook die planten zich weer voort. En voor de boer het weet, spuit hij zich een ongeluk en lacht de coloradokever zich hetzelfde want het gif doet hem niets. Dat heet resistentie en er is niks tegen te doen. Behalve dan via genetische manipulatie.
In de hal van het centrale onderzoekscentrum van het grootste biotechnologieconcern ter wereld, Monsanto in St. Louis, staan in een glazen vitrine twee aardappelplanten de zegeningen van genetische manipulatie te bewijzen. De rechterplant is er slecht aan toe, coloradokevers doen zich er dan ook te goed aan. De linkerplant blaakt van gezondheid, hoewel het ook hier wemelt van de coloradokevers. Ze zitten echter niet op de plant, maar liggen er voor. Morsdood.
Biotech-ingenieurs van Monsanto hebben de linkerplant voorzien van een eiwit dat de maagwand van de coloradokever wegvreet als hij eenmaal van de plant heeft gesnoept.
Ook met andere planten heeft Monsanto soortgelijke kunstjes uitgehaald. De Amerikaanse boeren zijn en masse gevallen voor het genetisch gemanipuleerde plantenmateriaal. De kosten zijn vergeleken met 'normaal' plantgoed fors hoger, maar dat zijn de voordelen ook. Naar schatting bestaat 50% van het areaal sojabonen in Amerika uit genetisch gemanipuleerde planten. Voor katoen is dat 40%, en voor maïs 25%. Volgens Monsanto hadden die cijfers gemakkelijk verdubbeld kunnen worden, maar er is op dit moment onvoldoende genetisch gemanipuleerd materiaal voorhanden om aan de vraag te kunnen voldoen.
De volgende stap die de biotechbedrijven in de landbouw willen zetten, is het maken van 'genetische cocktails': planten die verscheidene insecten kunnen doden, resistent zijn tegen meer dan één bestrijdingsmiddel en resistent tegen schimmels.
Het biotechbedrijfje Applied Phytologics Inc. in Californie is met zijn ambities nog enkele stappen verder. Waar grote bedrijven als Monsanto zich voornamelijk bezighouden met biotechnologie die vooral voordelen voor de boer heeft, zoekt Applied Phytologics het in toegevoegde waarde voor de consument. Dat gaat heel ver. Het bedrijf werkt aan een rijstvariant die niet alleen voedingswaarde heeft, maar ook een essentieel bestanddeel bevat voor de aanmaak van menselijk bloed. Volgens hun plannen wordt bloedtransfusie straks niet meer toegediend via een slangetje, maar via een bord rijst. Ook dat is maar een tussenstap. Het uiteindelijke doel is planten zodanig genetisch te manipuleren, dat ze plantaardige 'biofabrieken' worden die bijvoorbeeld milieuvriendelijke olievervangers produceren, waardoor zelfs het broeikaseffect ongedaan wordt gemaakt.
De Amerikanen kijken vooral naar deze onmiskenbaar grote voordelen van genetische manipulatie. Biotechnologie verhoogt de landbouwproductie immers niet alleen op bestaande landbouwgronden, maar gaat ook productie mogelijk maken in gebieden die nu klimatologisch ongeschikt zijn. Deze ontwikkeling is volgens hen broodnodig omdat de wereldbevolking maar blijft groeien.
Dank zij biotechnologie kan het voedseltekort - er zijn nog steeds 800 miljoen mensen die honger lijden - worden opgelost. Dank zij biotechnologie kan het gebruik van bestrijdingsmiddelen drastisch worden teruggedrongen en dat is weer goed voor het toch al te zwaar belaste milieu. Een populair voorbeeld van milieuvriendelijke genetische manipulatie is de poging om gekleurd katoen te produceren. Katoen is een veel gebruikte kledingstof, maar helaas wit. Kleurtjes moeten per verfbad worden aangebracht en dat is een zwaar milieu belastend procédé. Monsanto werkt hard aan een blauwe katoensoort waardoor straks niet meer al die miljoenen spijkerbroeken hoeven te worden geverfd. En: de kleuren vervagen niet!
In Europa wordt koeltjes kennis genomen van al die zegeningen. Men worstelt vooral met de vraag of genetische manipulatie al dan niet een te grote ingreep is in Gods schepping of in moeder natuur. In de VS is die discussie al een paar jaar geleden volkomen verstomd door de constatering dat genetische manipulatie ook in de natuur voorkomt. Met het versnellen en verbeteren van dat proces in een laboratorium is 'dus' moreel, ethisch en biologisch niets mis. Het inbrengen van dierlijke of zelfs menselijke genen in plantaardig materiaal is in die optiek niet veel anders dan een slimme manier om goedkoop onmisbare bouwstenen voor het menselijk lichaam te produceren.
Dat genetische cocktails een 'genetische gifbeker' kunnen worden zoals critici in vooral Europa beweren, is volgens wetenschappers in dienst van de industrie ondenkbaar: de manipulatie vindt in laboratoria en dus onder gecontroleerde omstandigheden plaats. Bovendien worden de resultaten eerst uitvoerig getest alvorens het eindproduct op de markt wordt gebracht. Die tests beperken zich overigens hoofdzakelijk tot de vraag of het gemanipuleerde product ook daadwerkelijk beter is dan de voorgangers.
Het gemanipuleerde product komt langs verschillende manieren in het eco-systeem terecht. Allereerst via de voedselketen. Mensen en dieren eten voedsel waarin gemanipuleerde producten zoals soja en graan zijn gebruikt. De niet voor consumptie geschikte plantendelen worden vaak als bemesting gebruikt en onder geploegd. Zo verdwijnt er dus op grote schaal genetisch gemanipuleerd materiaal in de bodem. Geen probleem, zeggen de voorstanders van genetische manipulatie. De restanten verdwijnen gewoon. Mogen we hopen, want er is geen enkele zekerheid dat zich in de Amerikaanse bodem niet een genetische tijdbom aan het ontwikkelen is.
Voor onderzoek naar eventuele schadelijke lange termijneffecten bestaat volgens veel onderzoekers bij de biotechbedrijven geen enkele wetenschappelijke noodzaak. Zij verdedigen dat als volgt. Bij genetische manipulatie draait het in feite om geknutsel aan eiwitstructuren. Die structuren zijn in geïsoleerde toestand, dus op celniveau buiten de plant, onstabiel en vallen dan ook al snel uit elkaar. De industrie ziet hierin aangetoond, dat gemanipuleerde genen in resten van gemanipuleerde planten in de bodem geen kwaad kunnen omdat ze toch snel uit elkaar vallen. Dat zou ook gelden voor de opname van gemanipuleerde genen door het menselijk lichaam. De eiwitstructuren worden al in de maag zodanig afgebroken, dat ze niet in de bloedbaan kunnen worden opgenomen.
Die theorie lijkt niet langer houdbaar. Onafhankelijke onderzoekers aan Amerikaanse universiteiten, onder meer die van New York, hebben op laboratoriumschaal aangetoond dat gemanipuleerde genen wel degelijk gedurende langere tijd in de bodem kunnen overleven. De nog niet beantwoorde hamvraag is nu, of die genen verbindingen aangaan met micro-organismen en op die manier structureel het bodemleven kunnen veranderen.
De Amerikaanse boer ligt er niet wakker van. Hij heeft vooral oog voor wat er zich op biotechgebied boven de grond afspeelt. En dat zijn de als nooit tevoren zacht in de wind golvende velden die bijna barsten van de sojabonen en de maïskolven.
Maar de wind is aan het draaien. In de zomer van 1999 maakte de Engelse roddelpers gehakt van voedsel waarbij gebruik was gemaakt van genetisch gemanipuleerd materiaal. Ze noemden het ‘Frankenstein-food’ en joegen met die term de consumenten zo de stuipen op het lijf dat die tegen de supermarkten te hoop liepen. Binnen een paar weken besloten de Albert Heijns van Engeland al het voedsel waar genetisch gemanipuleerde stoffen in zitten uit hun schappen te halen. Onze eigen Albert Heijn zit nu ook op die lijn.
Wakker geschud door de opwinding in Europa begonnen Amerikaanse en Japanse consumentenorganisaties zich ook te roeren. Volgens de Amerikaanse keuringsdienst voor waren en medicijnen is er niets mis met het genetisch gemanipuleerd voedsel. Maar voor de zekerheid kondigde de dienst in de herfst van 1999 aan de zaak toch maar opnieuw te gaan onderzoeken.
Intussen worden er voor het vierde achtereenvolgende jaar honderdduizenden tonnen maïs, graan en soja langs genetisch gemanipuleerde weg geproduceerd. Mocht het onderzoek van de Amerikaanse dienst van waren en medicijnen uitwijzen dat het genetisch gemanipuleerde voedsel toch niet zo veilig is als eerst werd aangenomen, dan hebben we een probleem. Dan tikt de tijdbom namelijk al.
En niemand weet hoe de klok daarvan moet worden stil gezet.
Abonneren op:
Posts (Atom)